zondag 8 februari 2026

De favoriete plek van Sati Dielemans – kunstredacteur van de OpNieuw

Het gerommel van de mensen is, net als het gescharrel van kauwtjes en kraaien, achtergrond voor het denken als ik door de buurt wandel. Een merel fluit, de wind ruist in de bomen, het zonlicht speelt met de bladeren van een boom langs de gracht en tussen de stenen steekt ergens een hele bos gele bloemetjes zijn kop op. Als het onverhoopt regent, verkleurt het asfalt van grijs naar diepzwart, wordt het stof afgevoerd via de goot en ruikt daarna alles frisser. Dat ik altijd een café of een boekhandel in kan lopen, stelt me gerust.

De stad is thuis. Dat komt voor een belangrijk deel omdat een stad tussenruimtes kent, plekken waar je thuis bent, maar niet in je eigen huis. Tussen de mensen zonder met hen te zijn. Bankjes op straat, winkels, bioscopen en natuurlijk bibliotheken. Het Pintohuis was als kind mijn favoriete plek in de buurt. Maar ik groeide op en ging reizen. In 2002 woonde ik een klein jaar in Shanghai. Daar was de hele stad tussenruimte. Er woonden toen al 13 miljoen mensen (inmiddels 24,9 miljoen). Zoveel mensen kun je nauwelijks huisvesten, dus een groot deel ervan is voortdurend op straat. De eerste dag voelde ik me vreemd hoekig tussen al die beweging, stond ik in de weg, maar al snel paste ik me aan en ging ik op in de stadse stroom van er zijn en er tegelijkertijd niet zijn. Mijn favoriete zijnstoestand.

Eten deed ik buiten de deur. Waarom koken als er vijf minuten van je huis iemand zoete broodjes stoomt voor het ontbijt, enorme trossen longan verkoopt of zoete aardappels roostert in een olievat. Teruglopend van werk naar huis, kwam ik langs een mevrouw die met een grote ketel bouillon en een tafel vol kommetjes en voorgesneden groentes op de stoep stond. Ik wees aan wat ik wilde, zij deed het in een soort diepe zeef aan een lange stok en liet die in de bouillon zakken. Zodra mijn groenten klaar waren, deed ze die in een kom met een lepel van de bouillon erbij en lente-uitjes erbovenop. Dan ging ik op een plastic krukje zitten, at mijn soep en keek om me heen. Tot ik plaats moest maken voor de volgende eter.

Nam Kee komt dichtbij het gevoel van zo’n eetgelegenheid in Shanghai. Je loopt erlangs op weg naar huis en besluit ter plekke dat je buik en je hart gevoed moeten worden. Of het regent, op straat of in je leven, en de gedachte aan de oesters van Nam Kee met een pot jasmijnthee maakt alles beter. Als je binnenkomt, wijst de serveerster je een tafel toe. Hier hoef jij geen keuzes te maken, alles wordt geregeld. Ze wacht tot je weet wat je wilt eten, maar als je er te lang over treuzelt, lijkt ze die keuze ook voor je te willen maken. Je bestelt en niet veel later staat je eten op tafel en verdwijnt alles dat je bezighoudt in de geuren van rijst, kip kerrie, choi sam met knoflook, de aardse geur van sojasaus en de hemelse geur van jasmijnthee. Ik kom er al 40 jaar en het eten is er nog altijd fantastisch. De bediening bemoeit zich niet met je, maar ze zijn altijd in de buurt mocht je iets nodig hebben. Je eet er alsof je thuis aan je eigen tafel zit en als je klaar bent, reken je af en vertrek je. De drukke Zeedijk op waar je gevoed en opgewarmd weer opgenomen wordt in het stromende leven van de stad.