Het gerommel van de mensen is, net als het gescharrel van kauwtjes en kraaien, achtergrond voor het denken als ik door de buurt wandel. Een merel fluit, de wind ruist in de bomen, het zonlicht speelt met de bladeren van een boom langs de gracht en tussen de stenen steekt ergens een hele bos gele bloemetjes zijn kop op. Als het onverhoopt regent, verkleurt het asfalt van grijs naar diepzwart, wordt het stof afgevoerd via de goot en ruikt daarna alles frisser. Dat ik altijd een café of een boekhandel in kan lopen, stelt me gerust.
De stad is thuis. Dat komt voor een belangrijk deel omdat
een stad tussenruimtes kent, plekken waar je thuis bent, maar niet in je eigen
huis. Tussen de mensen zonder met hen te zijn. Bankjes op straat, winkels,
bioscopen en natuurlijk bibliotheken. Het Pintohuis was als kind mijn favoriete
plek in de buurt. Maar ik groeide op en ging reizen. In 2002 woonde ik een
klein jaar in Shanghai. Daar was de hele stad tussenruimte. Er woonden toen al
13 miljoen mensen (inmiddels 24,9 miljoen). Zoveel mensen kun je nauwelijks
huisvesten, dus een groot deel ervan is voortdurend op straat. De eerste dag
voelde ik me vreemd hoekig tussen al die beweging, stond ik in de weg, maar al
snel paste ik me aan en ging ik op in de stadse stroom van er zijn en er tegelijkertijd
niet zijn. Mijn favoriete zijnstoestand.
Eten deed ik buiten de deur. Waarom koken als er vijf
minuten van je huis iemand zoete broodjes stoomt voor het ontbijt, enorme
trossen longan verkoopt of zoete aardappels roostert in een olievat. Teruglopend
van werk naar huis, kwam ik langs een mevrouw die met een grote ketel bouillon
en een tafel vol kommetjes en voorgesneden groentes op de stoep stond. Ik wees
aan wat ik wilde, zij deed het in een soort diepe zeef aan een lange stok en
liet die in de bouillon zakken. Zodra mijn groenten klaar waren, deed ze die in
een kom met een lepel van de bouillon erbij en lente-uitjes erbovenop. Dan ging
ik op een plastic krukje zitten, at mijn soep en keek om me heen. Tot ik plaats
moest maken voor de volgende eter.
Nam Kee komt dichtbij het gevoel van zo’n eetgelegenheid in
Shanghai. Je loopt erlangs op weg naar huis en besluit ter plekke dat je buik
en je hart gevoed moeten worden. Of het regent, op straat of in je leven, en de
gedachte aan de oesters van Nam Kee met een pot jasmijnthee maakt alles beter. Als
je binnenkomt, wijst de serveerster je een tafel toe. Hier hoef jij geen keuzes
te maken, alles wordt geregeld. Ze wacht tot je weet wat je wilt eten, maar als
je er te lang over treuzelt, lijkt ze die keuze ook voor je te willen maken. Je
bestelt en niet veel later staat je eten op tafel en verdwijnt alles dat je
bezighoudt in de geuren van rijst, kip kerrie, choi sam met knoflook, de aardse
geur van sojasaus en de hemelse geur van jasmijnthee. Ik kom er al 40 jaar en
het eten is er nog altijd fantastisch. De bediening bemoeit zich niet met je,
maar ze zijn altijd in de buurt mocht je iets nodig hebben. Je eet er alsof je
thuis aan je eigen tafel zit en als je klaar bent, reken je af en vertrek je. De
drukke Zeedijk op waar je gevoed en opgewarmd weer opgenomen wordt in het stromende
leven van de stad.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten