maandag 16 mei 2022

Interview met kunstenares Heleen van Deur

 

Heleen van Deur ontvangt me in een prachtige hoge ruimte, een achterkamer met een hoog plafond en rustig licht. Via een raam kijk je uit op de lichthof en, door de voorkamer heen, naar een Amsterdamse gracht. De ruimte straalt rust uit, maar is toch verbonden met de omgeving. Er staat een grote tafel en langs de wanden, in kasten en op de schoorsteen, staan haar werken uitgestald. Werken met een zachte, geheimzinnige uitstraling. Zacht omdat ze veel werkt met papier, textiel, draad en losse vormen. Geheimzinnig omdat je niet meteen weet waar je naar kijkt. Het werk nodigt uit om dichterbij te komen, om je erin te verdiepen. We praten onder andere over haar tentoonstelling Uit het stof gehaald die nu te zien is in de vitrines in de Sint Antoniesbreestraat en waarvoor een catalogus gemaakt is door Victor Levie en Rogier Fokke die te koop is bij Pantheon boekhandel.

Ons gesprek begint met haar mededeling dat ze eindelijk, na twee jaar uitstel door corona, in het eerste weekend van april kan gaan exposeren in De Hallen samen met Willy Felice Smits, met de tentoonstelling Geheimen. “Daar ben ik zo blij om, die expositie was al zo lang gepland, nu komt het er eindelijk van.”

Vanwaar die titel: Geheimen?

“In een gesprek met Willy bleek dat dit een onderwerp was dat ons beiden bezighield. Het idee dat geheimen een goede functie kunnen hebben. Dat je niet alles hoeft prijs te geven aan de openbaarheid”, zegt ze. “Geen geheimen in de zin van iets onderdrukken dat pijn doet. Wel in de zin van ruimte bieden aan geheime verlangens, dagdromen, ideale beelden over de wereld of jezelf. We hebben als mens soms behoefte om onze geheimen te bewaren, om het leven af te sluiten met onze geheimen intact. Eerder al maakte ik enkele ‘gesloten boeken’ die dat verbeeldden. Die spraken mensen erg aan. Het raakt blijkbaar aan een gevoel dat mensen herkennen.”

Je hebt ook een serie gemaakt met als titel: Briefgeheimen. Hoe is die tot stand gekomen?

Heleen: “In 2012 heb ik Stadsdorp Nieuwmarkt opgericht met een aantal mensen. Via het Stadsdorp leerde ik Til kennen, een oudere dame uit de Nieuwmarktbuurt. Zij is 90 jaar geworden en toen ze overleed, liet ze een hutkoffer achter met dagboeken en andere papieren. Haar buddy Jim, die alle praktische dingen voor haar regelde en die ik kende omdat ik ook wel dingen voor haar deed, vroeg of ik de koffer wilde hebben, anders zou hij hem wegdoen. Ik heb die koffer toen meegenomen en die heeft hier een paar jaar op mijn kamer gestaan, zonder dat ik echt wist wat ik ermee kon of moest doen. Toen ik me er uiteindelijk in ging verdiepen, kwam ik erachter dat Til veel geheimen had bewaard in dagboeken en brieven. Daar heb ik kunstwerken van gemaakt waarmee ik die behoefte om dingen geheim te houden recht wilde doen. Dus heb ik stukken gemaakt die haar geheimen bewaren, door de teksten onleesbaar te presenteren in allerlei verschillende vormen. Daarmee is de nalatenschap van Til tegelijk zichtbaar gemaakt en verborgen gebleven.”

Je hebt lang als orthopedagoog en organisatiepsycholoog gewerkt, las ik op je website. Wat was het moment dat je dacht ‘ik wil alleen nog kunst maken’?

Heleen: “Ik heb altijd een verlangen gehad naar het maken van kunst. Ik heb in Nijmegen gestudeerd en in Amsterdam. Ik ben in 1981 naar Amsterdam gekomen en vanaf die tijd bezocht ik vaak het Stedelijk Museum. Bij het zien van kunst had ik altijd het gevoel dat er luikjes opengingen in mijn hoofd, dat ik een andere wereld ontdekte. En ik kreeg altijd het gevoel dat ik zelf iets wilde maken als ik daar rondliep. Toen vroeg ik eens aan een vriendin of zij dat ook had en het antwoord was nee.  Dat ben ik verder gaan onderzoeken bij andere vrienden en veel bleken dat nooit te ervaren. Dus toen wist ik dat dat iets van mij was. Dat gevoel bleef terugkomen. Ook in cursussen die ik gedaan heb, textiele vormgeving bijvoorbeeld, voelde ik die opwinding altijd. Maar ik hield ook van mijn werk met cliënten en ook van het systematische deel van mijn brein dat voor dat werk nodig was, bijvoorbeeld bij het professionaliseren van de jeugdzorg waar ik veel in heb gedaan. Bij het maken van kunst is een ander deel van de hersenen betrokken en die twee tegelijk gebruiken, vond ik lastig. In 2010 reisde ik naar Japan en daar heb ik ook veel inspiratie opgedaan. Er kwam wat meer ruimte in het werk. En toen heb ik een serie beelden gemaakt.”

Op haar kast staat nog een exemplaar ervan. Een soort wit bijna doorzichtig diertje (in mijn verbeelding) dat ergens naartoe beweegt. Het blijkt een 3-d kalligrafie te zijn geïnspireerd door haar reizen naar Japan.

Ze gaat verder: “Samen met een Amerikaanse kunstenaar heb ik toen mijn eerste tentoonstelling gehouden. Ik weet het nog precies, op 17 december 2010 met de 3-d kalligrafie beelden. Er was die dag namelijk heel veel sneeuw en daarom waren er maar heel weinig bezoekers. Maar het was toch heel leuk en ik wilde steeds meer maken, terwijl ik er geen tijd genoeg voor had. Het niet kunnen tegemoetkomen aan het innerlijke verlangen om kunst te maken, daar werd ik chagrijnig van. Toen heb ik de knoop doorgehakt en me vanaf mijn 60e alleen nog op de kunst gericht.”

Waarmee begint het werken aan een kunstwerk voor jou? Met de techniek, met een idee of nog iets heel anders?

Heleen: “Ik hou van de technische kant. Vaak begint het met het materiaal, meer dan met het idee, maar niet altijd. Laat ik het zo zeggen, ik hou niet zo erg van heel conceptuele kunst, waarbij het idee belangrijker is dan het kunstwerk zelf. Dat maakt het werk minder belangrijk en dat spreekt mij niet aan.”

Ik vertel dat ik het werk met de scharen zag in haar tentoonstelling Uit het stof gehaald, in de vitrines van de Sint Antoniesbreestraat: een collectie scharen omwikkeld met zachte blauwe stof. Ze deden me denken aan de vakmensen die veel handwerk doen, waarbij het vasthouden van de schaar natuurlijk pijnlijk wordt na een tijd. Het omwikkelen van die scharen met stof maakt ze zachter, alsof de kunstenaar in retrospectief hun werk wilde verzachten en dat ontroerde mij.

Heleen reageert daarop: “Die wederkerigheid van kunst, het gesprek met de kijker, dat vind ik heel mooi. Ik stop er iets in, maar de kijker haalt eruit wat voor hem of haar relevant is. Het verrast me ook vaak wat mensen er in ontdekken en zien.”

Uit het stof gehaald

“De tentoonstelling Uit het stof gehaald heb ik gemaakt in opdracht, dat is ook anders dan vrij werk. Er waren randvoorwaarden, zoals de maat van de vitrines en een thema, omdat de opdrachtgever, Rogier Fokke graag meer eenheid in de vitrines wilde brengen. Door de catalogus van Victor Levie en Rogier Fokke heeft het verhaal eromheen aan betekenis gewonnen.

Ons huis op de Kloveniersburgwal was de aanleiding voor deze werken. Toen mijn man hier kwam wonen in 1982 zat hier stoffenhandel Elgeo (noot van de redactie: ook in de tentoonstelling te zien). Anna Wijmer woonde hier, samen met haar broer Pieter en haar zoon Jan Six. Zij had een blauwververij. Door die stoffengeschiedenis in mijn eigen huis kwam ik op het thema. Ik had mijn voet gebroken en ben toen veel gaan lezen. Toen kwam ik erachter dat het verhaal over de textielindustrie in de Nieuwmarktbuurt veel gelaagder was dan ik besefte.

Einde 16e eeuw, begin 17e eeuw had je in Amsterdam Sefardische Joden uit Portugal en Spanje en ook veel Askenazische Joden uit Oost Europa Door de opkomst van de VOC en de katoen en zijde die zij meenemen en de kennis en handelscontacten van met name de Sefardische Joden, kwam er een bloeiende economie op gang. Maar toen de economie slechter ging, werden de Joden uitgesloten van de gildes en mochten ze nog maar een paar beroepen uitvoeren. Veel Joden gingen toen noodgedwongen werken in de tweedehands kleding op markten en in de straathandel.

Ik kwam allemaal namen tegen van ambachten (tornster, blauwverver, knopenmakers en nog veel meer). Vooral de Joden werkten in die ambachten. Je had voor elk onderdeel van het productieproces een vak. Industrialisatie heeft dit allemaal overgenomen, maar vroeger waren dat allemaal verschillende beroepen. Die heb ik merendeels gevonden op de website www.beroepenvantoen.nl. Ik heb uit de ongeveer 60 ambachten die ik heb gevonden er 32 geselecteerd waarvan ik werken heb gemaakt. Ik heb gewerkt met van tweedehandsmateriaal als eerbetoon aan die Joodse geschiedenis en ook omdat ik al heel lang mooie stoffen bewaarde die ik hiervoor kon gebruiken. Het werk over het ambacht blauwverven verwijst naar de recepten die in boekjes werden opgeschreven en zo geheim waren dat ze achter slot en grendel werden opgeborgen. Ik heb er een papieren boekje van gemaakt met een slotje erbij om dat te symboliseren. Er zit zo veel liefde en verhaal in al die ambachten. Ik wil dat mensen dat weten. Waar komen al die dingen vandaan? Dat is een geschiedenis van heel veel mensenwerk, waar ook schoonheid in zit en verstilling.”

Ik vind dit werk heel ontroerend, maar er zit ook veel denkwerk en vakmanschap in. Kun je zelf nog ontroerd zijn door de dingen die je gemaakt hebt?

Heleen: “Ja, vooral bij de werken in de Sint Antoniesbreestraat, omdat ik bij het maken daarvan ook veel dacht aan die arme meisjes, en jongens ook natuurlijk, die zo hun best deden om met bijna niks iets moois te maken.”

Wanneer is een werk voor jou zelf goed genoeg?

“Als ik zelf vind dat het af is. Als dat niet zo is werk ik eraan door. En ergens is het nooit goed genoeg, omdat het nooit het ideaal bereikt dat je in je hoofd hebt. En soms weet je ook nog niet wat dat ideaal is. Ik wil iets maken waar ik zelf op val. Al weet ik niet altijd, of nog niet, wat dat dan is.”

Als voorbeeld vertelt ze over het werk Manuscript 1, dat bij haar op de schoorsteen staat. Het lijken twee bladzijden van een opengeslagen boek, met losse draden die eroverheen hangen. Maar het is geen boek om te lezen, want het bestaat uit repen stof die door elkaar geweven zijn, waardoor het onleesbare tekst is geworden.

Heleen: “Dit werk is geïnspireerd door mijn vriendin Margot. Zij heeft zeven jaar geleefd met ongeneeslijke kanker en ze was begonnen aan een boek met interviews van twaalf mensen die ook ongeneeslijk ziek waren. Met het interview dat ik met haar heb gehouden, werden het in totaal 13 interviews. Vanwege een terugval in haar ziekte was Margot bang dat het boek er niet zou komen. Toen heb ik besloten het boek te schrijven op basis van haar aantekeningen. Ik heb er thema’s uit gezocht en het boek geschreven. Margot heeft alles nog kunnen lezen en corrigeren. Het moest af want ik wilde dat het uitkwam tijdens haar leven. Toen het klaar was vond ik het moeilijk om weer kunst te maken. En toen heb ik van de drukproeven van het boek (Evenwichtskunstenaars) dit werk gemaakt. In het boek zijn de verhalen met elkaar verweven en vervlochten door de thema’s. Dat zijn technieken die ik in het kunstwerk ook heb gebruikt. Hier ben ik tevreden over, over dit ingetogen werk. Dat technieken overeenkomen van het boek en het kunstwerk, dat bevalt me. Het ziet er ook mooi uit voor mij. Gecompliceerd en toch eenvoudig. Het verhaal is niet belangrijker dan het werk, het valt ermee samen.”

Kun je nog even kort iets meer vertellen over Stadsdorp Nieuwmarkt?

“Ik ontmoette Jacques Allegro van Stadsdorp Zuid en ik was enthousiast over zijn verhaal, dat ging over ouder worden en zelf de regie in de hand nemen en houden, door een netwerk van mensen dat elkaar helpt, op basis van vertrouwen, zonder dat er geld in omgaat en zonder dat je altijd je kinderen om hulp hoeft te vragen. Dat sprak mij aan. Ook omdat ik bij mijn eigen ouders gezien heb, dat je inert kunt worden als in een verzorgingshuis alles voor je gedaan wordt en je niets meer zelf hoeft te doen. Het idee dat je zelf kiest wie je om hulp vraagt en dat je zelf ook hulp kunt aanbieden, spreekt me veel meer aan. En dat blijkt voor veel mensen zo te zijn, want er wordt veel meer hulp aangeboden, dan gevraagd. De activiteiten die Stadsdorp organiseert zijn erop gericht om mensen te leren kennen, de hulp is vrijwillig en gebaseerd op wederkerigheid, zonder dat het een directe ruil hoeft te zijn en alles is kosteloos. Ik zit nu niet meer in de organisatie, maar ik vind het nog steeds fijn dat het er is. Er is een website: www.stadsdorpnieuwmarkt.nl en je kunt je opgeven voor een nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van de activiteiten. ”

Open Ateliers Nieuwmarkt

In 2019 waren er geen open ateliers omdat er geen bestuur was. Nu zit ik in het bestuur van de Open Ateliers Nieuwmarkt. In 2020 kon het niet doorgaan vanwege corona. In 2021 wel, net tussen de lockdowns door. En nu in 2023 weer. Ook voor de open ateliers kun je je opgeven voor een nieuwsbrief via www.ateliersnieuwmarkt.nl

De tentoonstelling Uit het stof gehaald is te zien in de Antoniesbreestraat. Meer informatie over deze tentoonstelling is te vinden op: www.kunstencultuuramsterdamcentrum.nl en de catalogus is te koop bij Pantheon boekhandel.

De duo-expositie van Heleen van Deur en Willy Felice Smits  was te zien op 2 en 3 april in De Hallen, Hannie Dankbaarpassage 47, 1053 RT Amsterdam, https://dehallen-amsterdam.nl

Andere werken van Heleen van Deur zijn te zien via www.heleenvandeur.nl

 

donderdag 8 april 2021

Pleidooi voor stilte in het oog van het lawaai

(mijn bijdrage aan de kleine Jan Hanlo essayprijs)

 

‘Men zal nog krijgen dat het nooit meer stil is’, begint Jan Hanlo zijn gedicht

‘Ben je wakker?’

‘Huhh, wat?’, ik probeer mijn ogen open te doen, maar mijn droom laat me nog niet los.

‘Of je wakker bent?’

‘Pffffff, eh, ja, ik geloof het wel.’

‘Wil je koffie?’

‘Ja lekker.’

Aan tafel, in mijn pyjama nog, roer ik met een lepeltje door mijn beker koffie. Tik, tik, tegen de rand. De radio staat aan. Iemand zegt: ‘Luister eens, zo zit het niet. Nee, serieus, kijk……’

Ik luister half, pak mijn telefoon, open Twitter……

‘Joe Biden en Kamala Harris wonnen overtuigend. Is hun boodschap van verbinding besteed aan een land waarin bevolkingsgroepen politiek volstrekt langs elkaar leven?’

…… terwijl mijn droom nog niet helemaal uit mijn hersens verdwenen is. Ik weet niet waar het over ging. Het was druk, dat is het enige dat ervan is blijven hangen.

‘Kijk eens, Trump is natuurlijk gek,’ de radiostem.

Popup: ‘Iris mentioned you on Facebook’.

De balkondeur staat open. Uit een langsrijdende auto klinkt een deuntje. Wat is dat? Pom, pom, pompom pom pompom. Oh ja: I don’t even care for money, cause money can’t buy me love. Zelfs zonder woorden, zijn die woorden er, zo beroemd is de melodie. Het geluid is inmiddels weggestorven. Ik hoor een vogel fluiten en scroll verder over het scherm van mijn telefoon.

‘Huidige en toekomstige leiders moeten getraind worden om circulair te denken.’

‘Milieucriminelen plunderen de Amazone.’

‘Man uit Zeeland heeft jarenlang de kinderen van zijn vriendin laten misbruiken.’

‘Moeten de zakmessen van de scouts straks achter slot en grendel?’

Ik scan de korte berichten. Klik af en toe iets aan.

‘Als je mee wilt praten, moet je ook wat te zeggen hebben,’ reageert iemand op Twitter op een bericht.

‘Maar wie zegt er dat Biden niet liegt?’, de radio weer, andere stem. Want elke stelling moet een voor-en tegenstander hebben.

Meer koffie. Zonder koffie gaat het niet. Geniet dan ook van je koffie. Van je man. Van de ochtendrust. Weg met die telefoon.

‘Heb je eigenlijk lekker geslapen schat?’, vraag ik aan mijn man.

Popup: ‘Yoga Girl: Come back home to yourself, your body is intelligent, what is it trying to tell you?’.

Mijn man: ‘Ja, maar ik had een vreemde droom, waarin …….’.Terwijl hij tegen me praat, denk ik aan alles wat ik straks moet doen.

‘Sorry schat, ik moet onder de douche’, onderbreek ik zijn verhaal, ‘overleg over tien minuten.’

In mijn onderbroek start ik mijn laptop vast op.

Popup in mijn linkerooghoek: ‘Typ hier om te zoeken’.

Maar als ik nou een keer niks wil vinden? ‘Wie iets vindt, heeft slecht gezocht’, schreef Rutger Kopland.

‘Ting. Time for your yoga lesson.’

Oh ja, ik ging yoga doen, elke ochtend, voor het werken. Toch nog snel even proberen, voor ik in de douche stap. Mat op de grond, app aan, zitten, rustig ademen.

‘Are you ready? Start.’

Ik adem in.

‘Pling, pling.’ Whatsapp. ‘Sharon Dijksma wordt de nieuwe burgemeester van Utrecht.’

‘Pling.’ ‘Die is snel weer weg’

‘Pling, pling.’ Whatsapp. ‘Sharon Dijksma wordt de nieuwe burgemeester van Utrecht.’ Volgende Whatsappgroep.

‘Pling.’ ‘Tsja.’

‘Only three more breaths. Stay in the now. Breath in, breath out.’ Geen tijd meer. Ik klik de app weg en spring onder de douche.

De eerste zoomvergadering van de dag met nat haar, mijn huid nog klam van het douchen. Tien collega’s waarvan ik er maar vier zie op mijn scherm. Wie zijn er stiekem aanwezig? Ik wil ook stiekem aanwezig zijn. In stilte. Als een vlieg aan de muur. Microfoon uit. Camera uit. Alleen maar luisteren, niet meedoen. Ik maak stiekem een smoothie. Zoek op wat er ook alweer in moest. Maar dan voel ik me toch bezwaard. Camera aan. Witte achtergrond. Ze hoeven niet allemaal te weten dat het huis vol hangt met was. Terwijl ik luister naar de voorzitter van de vergadering, check ik ondertussen mijn mail en mijn agenda.

‘Pling, pling.’ Whatsapp. ‘Doe je ook mee met ommetje? Ga de competitie aan met je collega’s.’

Ik download de app en maak een account aan.

Als de vergadering afgelopen is, ga ik naar buiten. Even mijn auto ophalen in de garage, om boodschappen te doen. In de korte wandeling in de frisse lucht probeer ik mijn hoofd leeg te maken. Ik concentreer me op mijn omgeving. Vandaag, zomaar ineens, ruikt het naar winter. Kou om de neus, stilte in de lucht. Ik pluk twee zandkleurige takjes en bedenk dat ik die straks op een wit stuk papier ga leggen om er een foto van te maken. Beeld van rust op rust. Leegte. Stilte. #Enjoythelittlethings. #Peace. De zon strooit goud over een boom. Mooie foto, denk ik. Ik pak mijn telefoon, klik en deel de foto op Instagram #fall #lightismyfavouritecolour.

‘Leg die telefoon nou eens weg’, spreek ik mezelf toe. Terwijl ik de telefoon in mijn tas stop, licht het scherm op.

Popup: ‘Tijd voor je ommetje.’

Oh ja, even aanzetten, die nieuwe app.

‘Swoezzzj. Je bent aan het lopen. Lock je telefoon en geniet van de omgeving.’

Ik stop eindelijk de telefoon in mijn tas en kijk om me heen.

‘Leren van het verleden’ spreekt een mevrouw mij ernstig toe vanaf een billboard. Haar verhaal gaat over oorlog en verzet. ‘De Plantage Oase van Amsterdam’, staat erboven. ‘Welkom in onze heerlijke buurt’, staat eronder. Oorlog, verzet en citymarketing in één poster want alle informatie moet en zal expliciet gemaakt worden. Het cynisme doet bijna pijn.

Bij het zebrapad knippert een bewegend billboard. ‘New York misses you too’ afgewisseld met ‘Ik hou (afstand) van jou’. Voor het stoplicht staat iedereen dicht op elkaar te wachten tot het licht op groen springt. Auto’s razen voorbij. Als het licht voor ons op groen en voor hun op rood springt, draaien ze ongeduldig briesend stationair. Ik loop door, terwijl ik uit mijn ooghoek in de gaten hou of er niet plotseling één optrekt. Als ik in de parkeergarage naar mijn auto loop, hoor ik de airco zoemen. Een harde ruis die de lege grijze ruimte vult. Zo voelt het in mijn hoofd inmiddels ook.

Het gedicht van Jan Hanlo gaat zo verder:

‘……….en dat voortdurend ’s nachts en altijd de verdoemde rotmotoren om je kop ronken
zodat het zoemen van machines voortaan altijd
door de lucht gaat
knalpottende raketten rondstotteren
en dat geen plekje hei of wei
geen kilometer aardig lenteland meer vrij is
van hun gezoem waarmee ze alles verpesten’

In dit gedicht is het geluid nog iets externs. Bij mij is het zoemen, knalpotten en stotteren inmiddels doorgedrongen tot in mijn hersenen. Het lawaai van buiten en binnen is één geheel geworden. Het gebruik van de smartphone, de toegang tot sociale media, allerlei praktische apps die mij niet alleen vermaken, maar mij ook aanzetten tot doen, denken, reageren, hebben van de stilte een schaars goed gemaakt. En dan niet alleen van de stilte in de zin van de afwezigheid van geluid, maar ook stilte in de zin van verstilling, concentratie. Omdat ik nog opgegroeid ben in een tijd zonder afleiding, met veel momenten van verveling, en uit liefde voor boeken altijd veel gelezen heb, weet ik gelukkig nog de concentratie op te brengen om boeken en lange stukken te lezen. Maar ik voel dat het moeilijker wordt. Dat ik moet vechten om het opbrengen van dat soort concentratie te behouden. De continue aanwezigheid van informatie en vermaak, het digitale gesprek dat soms voelt als schaken op een heleboel borden tegelijk, maar vooral het steeds onderbroken worden, knipt de tijd in kleine stukjes en versnippert mijn uren, mijn dagen, mijn leven. Terwijl ik bijna nergens méér van hou dan van het tegenovergestelde. Van het gevoel te verdwijnen in de tijd.

Stilte is voor mij sterk verbonden met de geconcentreerde beleving van tijd. In haar boek Stil de tijd haalt Joke Hermsen de tijdfilosofie van Henri Bergson aan. Die noemt die beleving waarin we de tijd vergeten de ‘werkelijke of reële tijd.’ Deze tijd (de werkelijke tijd, dus) ‘is meer in harmonie met onszelf en met de fysieke wereld om ons heen….en wordt door Bergson gekarakteriseerd als duur, de tijd als duur.’ Wat ik ervan begrijp betoogt hij ook dat deze tijd geen afbakening heeft, maar een voortduren van de tijd is, waarbij verleden en heden in elkaar overgaan, zonder einde en begin. Deze omschrijving van de tijd raakt me, omdat het naadloos aansluit bij hoe ik het voel en bij wat ik mis. Dat de tijd van dromen of geconcentreerd bezig zijn met iets, voller en echter aanvoelt.
‘Leg die telefoon dan weg’, zeg ik vaak tegen mezelf. ‘Lees een boek. Doe yoga. Mediteer. Schrijf.’
Al die dingen brengen me meer terug in die voortdurende tijd en de stilte waar ik naar op zoek ben en toch pak ik steeds weer mijn telefoon.

Er is al veel geschreven over waarom de smartphone zo verslavend is. De apps zorgen met hun systeem van beloning -de blauwe vinkjes als je bericht gelezen is bijvoorbeeld en de mogelijkheid om direct te reageren- voor dopamine-impulsen in onze hersenen die ons plezier en genot verschaffen. De meldingen op ons scherm vragen om aandacht, om ons steeds weer terug naar de apps te lokken. Deze zijn ontworpen om het op te nemen tegen onze concentratie en zijn daarin zeer succesvol. Bovendien hebben wij mensen behoefte aan sociaal contact. Nu fysiek contact en nabijheid in de coronapandemie gezondheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen, is digitaal contact nog belangrijker geworden. Dus hoewel de smartphone onze concentratie versnippert, komt hij ook tegemoet aan onze behoeften. Het is een deur naar heel veel moois en veel contact.

Ik vond tijdens een scrollsessie een oud stuk uit de Groene Amsterdammer over Vivian Gornick, wiens sprankelende essays ik toen ben gaan lezen. Die mij weer op Edward Gosse brachten. Die het prachtige Father and Son schreef over hoe een jongetje in een streng gelovig gezin zijn eigen stem ontdekt en daarmee zijn eigen gezelschap. Via Brainpickings.org, de oneindige literaire verwijssite van Maria Popova, leerde ik Olivia Laing kennen en haar boek The Lonely City. Dat bracht me weer bij David Wojnarowicz, die Close to the Knives schreef, het meest krachtige, prachtige boek over de beginperiode van AIDS in Amerika en alle politieke implicaties rondom zorg. Zeer belangwekkend, zeker nu. Via Instagram weet ik dan weer dat ook mijn heldin Patti Smith fan is van Maria Popova, wat mij een gevoel van verbondenheid met haar geeft, hoe onzinnig dat ook is. En dan heb ik het nog niet over alle recepten die ik gevonden en uitgeprobeerd heb en alle kennis die ik opgedaan heb over zoveel verschillende onderwerpen. Die deur naar een oneindige hoeveelheid informatie van over de hele wereld, vind ik nog altijd een ongelofelijke uitvinding en ik zou die ook niet meer willen missen. Ik ben het dus eens met Jan Hanlo, die in zijn gedicht schrijft: ‘Het vinden en verbeteren zélf is mooi.’

En toch voel ik me gevangen door mijn telefoon met al zijn handige apps. En toch voel ik de behoefte om mijn recht op stilte en concentratie te bewaken. Daarover haalt Hermsen in haar boek opnieuw Bergson aan, die stelt: ‘dat het domein van de menselijke vrijheid zich …… openbaart op het niveau van de duur en het diepe zelf. We zijn pas echt vrij wanneer we ons van het op praktische zaken gerichte ik bevrijden, onze intuïtie richten op de tijd als duur en zo opnieuw bezit kunnen nemen van onszelf.’ Bergson wilde ‘de mens redden van de dreiging en vervreemding die uitgaan van een louter door de kloktijd geregeerde samenleving. Hij vreesde de automatisering en de verdingelijking van de mens vanwege de oprukkende industrialisering en de toenemende regulering van de klok.’

Dit gevoel van geleefd worden is alleen maar toegenomen nu de smartphone vastgegroeid lijkt aan mijn lichaam. Nu ik het in mijn eentje dagelijks moet opnemen tegen een leger aandachttrekkers. Het lawaai stoppen, gaat niet meer lukken. Daarvoor is het te alomtegenwoordig. Maar wat dan wel? In een meditatie heb ik eens ervaren dat ik de heavy metal die mijn man in de huiskamer draaide na een paar minuten niet meer hoorde, hetgeen ik pas besefte toen ik weer uit de meditatie terugkwam. Door de oefening in die meditatie, die erop gericht was om geluid alleen te benoemen als geluid en er verder geen aandacht aan te geven, was de muziek geen onderdeel meer van mijn bewuste beleving. Je stilte laten onderbreken is dus ook ergens in de hersens een keuze. En dus ga ik me oefenen in het zoeken naar stilte in het oog van het lawaai. Om te voorkomen dat het gevolg van een fantastische uitvinding, en ik parafraseer hier Hanlo, toch maar een massa doelloze media is, a-sociale media.

zondag 21 juni 2020

Corona dagboek


Wat er allemaal niet is

Wat ik allemaal niet hoor: het geluid van rolkofferwielen op de stoep, schreeuwende dronken toeristen, toeterende auto's, remmende trams, bellende fietsers en pratende mensen 's ochtends, 's middags, 's avonds en 's nachts. Ik lees dat allerlei woningen die alleen nog maar gebruikt werden voor Airbnb nu weer aangeboden worden voor de verhuur. Als er een tijd was om een woning te zoeken in Amsterdam, dan is het nu. De straten zijn schoner dan ik ze in tijden gezien heb, de vogels fluiten en de buurtrat is weer op zoek naar eten tussen het gras in plaats van in de vuilnisbak. Het is eindelijk stil. Het voelt als zomers vroeger, toen Amsterdam nog toebehoorde aan de bewoners.

Communiceren is zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten

Eenvoudig communiceren is heel ingewikkeld. Dat wist ik stiekem natuurlijk al (het is mijn werk), maar nu komen ook allerlei overheden en organisaties hier achter en ik vermoed ook een heleboel familie- en burenapps. Helder zijn, kost veel denkwerk. Online vergaderen is praktisch en goed te doen, maar ook heel intensief. Door elkaar praten is er niet bij. Het is een beetje als vroeger op school. Luisteren naar de meester en hopen dat je het goede antwoord weet als je iets gevraagd wordt.

Later wordt alles beter

Een variant op vroeger was alles beter is het geloof dat, later, na deze crisis, alles beter wordt. Nu gaan we eindelijk de mensen in de zorg voldoende betalen, de supermarktkinderen waarderen, de straat zelf schoonmaken of op zijn minst niet meer vervuilen. Of, voor wie grootser denkt, de banken eerlijker maken, de belastingdienst hervormen, samenwerken tussen landen. Na deze crisis hebben we allemaal in één keer geleerd dat we elkaar nodig hebben. Dat sociaal zijn niet alleen aardiger is, maar ook effectiever. Ik geloof er niks van. Er zijn in alle tijden mensen die iets doen voor een ander en mensen die dat niet of alleen soms doen. Er zijn mensen die doen alsof ze iets geven, terwijl ze eigenlijk een plek in de spotlights opeisen. En er zijn mensen van wie je nooit hoort wat ze allemaal doen. En later, later, is dat allemaal nog precies hetzelfde als nu. Gedrag veranderen is het aller, aller moeilijkste dat er bestaat. Het directe eigenbelang dat we nu hebben, niemand wil die patiënt op de overvolle intensive care worden, dwingt ons om rekening met elkaar te houden. Mijn bewijs voor deze stelling? Klimaatverandering tegengaan is ook al jaren echt nodig, maar het is ver weg en wat het voor ieder persoonlijk gaat betekenen is moeilijk in te schatten. En dus verandert er (te) weinig. Sterker nog, deze crisis zou ertoe kunnen leiden dat er nog minder aandacht en geld voor komt. Tot ook dat te zijner tijd een crisis wordt waar we middenin zitten. Een adagium dat ik ooit leerde van een Engelsman doet zich hier gelden 'There is an eternal struggle between the important and the urgent. And if you wait long enough, the important will always become urgent.'

Slalommen over straat

Het was nooit rustiger op straat dan de afgelopen week. Dus een klein wandelingetje door de buurt lukt hier nog steeds goed. Gemiddeld 3.000 stappen per dag, in plaats van 6.000. Ik heb het niet rustiger met werk (gelukkig), dus het blijft bij een lunchwandeling. Wat daarbij opvalt is dat mensen het moeilijk vinden om uit mijn buurt te blijven. Ik zou dit kunnen opvatten als compliment, ware het niet dat ik zie dat het vooral komt door een gebrek aan omgevingsbewustzijn. Er wordt steeds opgeroepen om 1,5 meter afstand te houden en ik geloof ook echt dat de meeste mensen deze boodschap wel hebben doorgekregen en hem begrijpen. Maar dat vertaalt zich nog niet automatisch naar het gedrag dat erbij hoort. Bijvoorbeeld even knikken naar elkaar om te laten weten dat je elkaar gezien hebt. Of even hardop zeggen dat je wacht tot de ander voorbij is of vragen of de ander even wil wachten. Even opzij stappen op straat als je iemand aan ziet komen lopen. Even je ongeduld bedwingen als je haast hebt, in plaats van tussen mensen door lopen die nou net afstand aan het houden waren. Het vereist allemaal omgevingsbewustzijn en dat is lastig om voortdurend vol te houden. Het blijkt maar weer, informatie is nog maar stap één van de gedragsverandering.

On a personal note

Ik begon de eerste quarantaineweek heel gedisciplineerd. 's Ochtends yoga, douchen, ontbijten en om 09.00 uur achter de laptop om aan het werk te gaan. Mijn werk is grotendeels achter de computer, dus de grootste verandering was de omgeving, niet het werk zelf. En toch, veranderde de indeling van de dagen langzaam maar zeker. Na twee weken thuiswerken begint de dag ineens met lezen over corona, appen met familie en vrienden. Zieken beginnen op de app te verschijnen, dichtbij en verder weg. Zorgen nemen toe. Bemoedigende woorden worden steeds lastiger te vinden. En voordat je het weet is het tijd om te lunchen. Vandaag is de eerste dag, dinsdag in week drie, dat ik de hele dag gewerkt heb in mijn pyjama. Werken gaat nog steeds prima, maar discipline volhouden dat wordt lastiger. Morgen maar weer aan de yoga.

Angst en hoe ga je daarmee om?

Voordeel van een rommelige jeugd is dat ik niet snel in paniek raak van veranderende omstandigheden. Dus dat alles nu anders is dan normaal, is voor mij niet zo'n groot probleem. Ik heb een nogal rotsvast vertrouwen in mijn eigengereidheid en als ik in een moeilijke situatie kom, lees ik alles wat los en vast zit om het probleem zo snel mogelijk de baas te worden. Maar in deze pandemie, waarvan niet duidelijk is wanneer die ophoudt, neemt de angst toe en de angstige verhalen ook. Ik lees over een man die na 48 jaar huwelijk, bij het overlijden van zijn vrouw, alleen van achter zijn raam een laatste groet mag brengen aan de rouwauto die door zijn straat rijdt. Ouders van een goede vriendin die sinds hun 14e samen zijn en die nu, nadat ze op vakantie of op Schiphol corona hebben opgelopen, ineens op verschillende plekken opgevangen worden. Een oersterke collega die toch op de ic belandt. En het ziektebeeld jaagt ook angst aan. Mensen die de ene dag nog prima zijn en de volgende dag zo hard achteruitgaan dat ze op de ic belanden. Longartsen die ziekteverschijnselen zien die ze niet begrijpen. De benauwdheid die zelfs mijn meest nuchtere vriendin angst aanjoeg, zij heeft het ogenschijnlijk al achter de rug. Ik moet onder ogen zien dat informatie niet helpt om de rust te bewaren. Filters zijn nodig. Niet alleen voor mond en neus, maar ook voor de hersenen. Dus val ik terug op yoga, altijd yoga. En lezen, maar dan literatuur. En lachen en muziek luisteren. En schrijven. En wandelen. De Nieuwmarkt was uitgestorven gisteravond. En de politieauto's stonden netjes in een rijtje langs de stoep voor de Flesseman. Er is blijkbaar geen reden om rond te rijden. Dat geeft dan toch een beetje vertrouwen.

Zachte zondag

De angst is gehard in het verdriet van een vriendin wiens moeder van 73 in het ziekenhuis ligt en alle ingewikkelde gesprekken daaromheen. Met dokters die het beste proberen te doen, maar denken in protocollen. De dochters smeken of hun vader, haar man waar ze al 59 jaar mee is, bij haar mag. Uiteindelijk mag het, omdat hij ook corona heeft (gehad) en aan de beterende hand is. Passend bij deze zondag met het zachtste weer sinds tijden.

Koude maandag

Maandag 6 april start vroeg met slecht nieuws via de app. De moeder van mijn vriendin is vanochtend overleden aan corona. Ik ben er stuk van. Op een bankje in de buurt, met ruime afstand van elkaar, kan ik even met mijn vriendin praten. Troost zonder lichamelijk contact is onwerkelijk. Het maakt stil.

Goede vrijdag

Het is geen goede vrijdag. Mijn vriendin is ondergedompeld in de choreografie van rouwkaarten, keurige kisten (dat is wat ze me vertelde uit het gesprek met de uitvaartorganisatie), prachtige herinneringen en immens verdriet. Om het overlijden. Maar vooral ook om het hoe. Om het niet weten of er nog een kans op genezing was geweest. En toch, is het ook een goede vrijdag. De zon schijnt vandaag uitbundig. Ik denk aan haar moeder, die ik al dertig jaar kende. Die, toen die vriendin en ik terugkwamen van een reis van drie maanden, op Schiphol stond te wachten, met een survivaldoos voor haar. En voor mij. Koffie, melk, banaantjes, brood en alles wat een mens na een vlucht van vijftien uur, nodig heeft om de eerste dagen het huis niet uit te hoeven. Die, toen een opdrachtgever vervelend deed en ik daar triest over was, tegen me zei "ach laat ze lekker de kolere krijgen", omdat ze sowieso aan mijn kant stond. Altijd. Die tijdens een weekendje Texel mijn man volstopte met zelfgemaakte gehaktballen, onder het mom "ah, neem nog een balletje". Die ik nooit humeurig gezien heb of geïrriteerd. Waar ik zo vaak mee langs de kustlijn van een zee in Frankrijk of Italië gelopen heb. Waarmee ik op ontelbare markten rondgelopen heb, gewinkeld, gelachen. Mijn eigen moeder leeft al niet meer sinds mijn 27e. Haar noemde ik gekscherend mijn adoptiemoeder. Toen we thuiskwamen, lag de rouwkaart in de brievenbus en die is prachtig. De liefde van haar man, kinderen, kleinkinderen en schoonfamilie spat van het papier. In hoeveel huizen, van al die mensen in de wereld die thuis moeten blijven, is verdriet, afscheid, rouw, herinnering. Het is bijna tastbaar in de lucht af en toe. Niet voor iedereen. Er zijn nog steeds mensen die, zonder enige grond daarvoor, zeggen dat het wel meevalt, dat het wel goedkomt. Ik gun ze hun vertrouwen. Maar ik ben bang. Een angst die verschuift van de angst om zelf ziek te worden, naar de angst over hoe lang dit gaat duren Wat het met ons doet om elkaar op afstand te moeten houden. Hoe lang we dit aankunnen als samenleving? Hoe dat nieuwe normaal eruit moet gaan zien?

Zaterdag

Ik heb een cd in huis van Meryn Cadell. Ooit opgepikt in Concerto, tijdens zo'n middag slenteren door de winkel – je weet wel, wat we vaak deden vroeger, voor corona. En dan zomaar iets oppakken en luisteren. Zij zingt een lied dat Inventory heet, waarin ze inventariseert welke spullen ze in huis heeft en hoe ze daar aankomt. That was given to me, stole that from my family That was given to me, I bought that I bought that and I bought that Het lied bevalt me, omdat het gaat over onze verbondenheid met de spullen die we hebben. Omdat ik een werkplek in de slaapkamer wilde maken, was ik aan het opruimen. Een beetje afstand tussen werk en leven in dit kleine appartement. Ik ga nu om negen uur van de woonkamer naar de slaapkamer om te werken. En om twaalf uur naar de woonkamer om te lunchen. Ik was dus aan het opruimen. En ik schoof een koffertje opzij. Zo'n handbagagekoffertje dat ik vaak meeneem op reis. En terwijl ik het vasthad overviel de gedachte me dat ik het wel weg kon gooien. Want hoe lang gaat het nog duren voordat we de enge ruimte van ons huis, weer durven verlaten. Voordat we weer met driehonderd mensen in een vliegtuig durven. Voordat we weer durven reizen. En het drong tot in mijn vezels tot me door dat het leven veranderd is. Door een koffertje.

Pasen

Fijne Pasen, wensen we elkaar. En dat voelt vreemd. Want er is eigenlijk weinig fijns aan. Het gekke is dat in mijn huis alles nog goed is. Tot zover. So far, so good. Zo voelt het eigenlijk elke dag. Blij dat ik en de mijnen gezond zijn. Maar ook verdrietig tegelijkertijd voor mijn vriendin waar dat niet zo is. Er doen zich vreemde momenten voor. Collega's die ik niet heel goed ken, die in vergaderingen vragen of alles goed is. En ik hoor mezelf antwoorden 'hier is alles prima'. En terwijl ik het zeg, denk ik, dat is niet waar. Maar ook momenten dat het echt prima is. Als ik buiten wandel met mijn man door een verlaten stad – in mijn buurt is het heel rustig – en ervan geniet dat dat überhaupt kan. We gaan bij mijn achternichtje langs om happy birthday voor haar te zingen onderaan de trap. Dat is feestelijk en fijn. Tegelijk vraag ik me af, tijdens de wandeling terug, hoe moet dit als meer mensen naar buiten gaan? Elke persoon die ik tegenkom op straat is veranderd van een mens in een potentiële besmetting. En ik blijf het liefst zes meter bij iedereen vandaan. Zo snel wordt de ander een gevaar. Dat bevreest me, dat ik dat voel. Ik lees een boek waar de regel in staat 'half a mile from the farm' en mijn onderbewustzijn maakt ervan 'half a mile from harm'. Half a mile is ongeveer 800 meter, zoek ik op. Zo ver is het gelukkig nog niet. Maar die nieuwe anderhalvemetersamenleving, hoe gaan we die in godsnaam vormgeven, samen?

Maandag 20 april
Het dagboek wordt een weekboek. Bij ernstige situaties val ik stil. Er is zoveel rumoer om me heen, iedereen zegt dat ie het weet. Of we wel of niet weer op moeten starten. En hoe dan? Grote evenementen worden nog niet gecanceld omdat er nog geen officieel besluit aan ten grondslag ligt. De overheid moet alles initiëren, want anders kost het geld. De overheid moet ons juist niet belemmeren. In Amerika en Brazilië gaat men de straat op om te demonstreren tegen het thuisblijven. Dokters zijn daar van helden ineens veranderd in boodschappers van slecht nieuws die het gewone leven blokkeren. En het virus denkt ha! weer een groep mensen bij elkaar waardoor ik verder kan leven. Nee, denken kan het virus gelukkig niet. Maar overspringen wel en dat betekent nog altijd dat we ruimte moeten creëren. Tussen elkaar, op straat, in het park, in de winkels waar we nog wel komen. Iemand in een winkel wil me iets aangeven, ik zeg 'leg maar neer, dan pak ik het wel'. Dat hij zich afgewezen voelt hangt tastbaar in de lucht. Ik maak het bespreekbaar. 'Je vindt het toch niet erg dat ik dat zeg? Hoe ga jij om met die afstand? Hou je je eraan?' Hij antwoordt, eerlijk: 'in principe wel, maar soms vergeet ik het.' Zo begrijpelijk. Het is vermoeiend om je de hele dag bewust te zijn van andere mensen om je heen. Ook de morele vragen blijven. Als ik op straat loop in een rustig Amsterdam, waar ik zeer van geniet, kan dat dan omdat Amsterdam zonder toeristen zo leeg is dat de anderhalvemetersamenleving moeiteloos lijkt? Of kan dat omdat alle andere mensen binnenblijven? En is dat dan eerlijk? Blijf thuis, zegt een spotje, ga alleen naar buiten als het echt niet anders kan. Maak een dagelijks ommetje in je buurt, zegt Rutte. Support de winkels waar je kunt, blijf gewoon geld uitgeven, anders verstoort ons gedrag de economie meer dan het virus, help de boekhandel, de slager, de bakker, de lokale horeca, zeggen economen. Weet je wat nog veel erger is dan het virus, zegt deze of gene: hoe we dit proberen op te lossen, dat we eenzaam worden, dat kinderen geen les krijgen, het communisme, het neo-liberalisme, de klimaatverandering, links, nee rechts, nee de redelijken. Weet je wel hoe de wereld gaat veranderen hierna? Elke dag golft de informatie over me heen, maar wat bij mij blijft is de stilte. We weten nog zo weinig. Rutte zegt dat we varen op zicht. Het voelt meer als varen in de mist. En dat terwijl het buiten steeds helderder wordt en de lucht boven Amsterdam steeds blauwer. Misschien is stilte niet het slechtste antwoord.

Donderdag 23 april

We zijn weer een persconferentie verder. Buiten schijnt de zon. Op mijn werkplek aan het raam is het nog steeds fris. De lucht is blauw. Het park is groen. Mijn huis is een oase van rust. Zo niet voor veel mensen, begrijp ik uit de reacties op de persconferentie. Als de boodschap is dat we nog steeds thuis moeten blijven, zijn veel mensen teleurgesteld. Collega's vertellen via de online calls dat ze het leven 'fucking saai' vinden. Iemand vreest oorlog, droomt erover. Een ander is bang voor alle bedrijven die gaan omvallen en voor de mensen achter die bedrijven. Anderen zoeken hun evenwicht in de natuur. En ik, ik spreek af in mijn buurtpark, op ruim 1,5 meter afstand en ik app en praat me helemaal suf om niemand alleen te laten. Ondertussen probeer ik de boodschap achter de communicatie van de overheid te ontcijferen. Nederland is niet op slot, Nederland gaat niet op slot, de overheid laat de teugels een klein beetje vieren. We stellen onze kinderen bloot aan het virus, onze jongeren een beetje, omdat we op basis van kennis uit andere landen vermoeden dat kinderen geen gevaar vormen. Maar we testen niet, we doen geen of weinig contactonderzoek, we isoleren de mensen die besmet zijn niet. Als ik dat bij elkaar optel, kan ik niet anders dan concluderen dat we nog steeds groepsimmuniteit nastreven, ook al noemen we het niet meer zo. Op hoop van zegen varen we in de mist.

Zaterdag 25 april: wat anderen er van zeggen

Op straat luistervink ik zinnen om de zinnen te verzetten.

'Bram gaat ook in loondienst nu.'

'Echt man, ik heb al veel te lang geen seks gehad.'

'Heerlijke avonden waren dat. Zodra het weer kan, gaan we daar weer heen.'

'Oh, we kunnen ook McDonalds laten bezorgen.'

'Je gaat niet blij zijn.'

'Heb jij het geluk bij je?'

Donderdag 30 april

Iedereen is op zoek naar plezier. Geen kroeg, geen bioscoop, geen concert, het valt de mensen zwaar. De Ikea gaat voor het eerst in weken weer open. Dit zorgt voor rijen rond het gebouw. De Bijenkorf gaat weer open, 'eindelijk weer eens shoppen', verzucht een meneer in de krant, die volgens eigen zeggen wekelijks even door de Bijenkorf loopt. We zijn gewoontedieren. Ook ik ben blij, ik krijg een appje van mijn zus dat de kringloop in Noord weer open is. Joepie. Het hele kringloopconcept is natuurlijk aan evaluatie toe, nu de vraag of corona ook via oppervlakken verspreid wordt nog niet afdoende beantwoord is. Maar ik waag het erop. Ik laat de spullen na aankoop twee of drie dagen liggen en daarna maak ik alles schoon met desinfectiedoekjes. Winkelen is ook hier lastig. De Lokatie in Noord is een grote winkel, maar het lijkt wel of mensen helemaal niet weten dat corona bestaat. We zijn gewoontedieren. Dus houdt een mevrouw netjes de deur van de lift open voor twee oude mensen, op minder dan 50 cm afstand. Ziet niemand de tape die netjes op de grond geplakt is om die vermaledijde 1,5 meter afstand in stand te kunnen houden. Lopen de mensen die er werken tussen de rij door, waarmee de afstand alweer verkleind wordt. We willen heus wel meewerken allemaal. Maar we zijn nou eenmaal gewoontedieren. Intussen in de wereld, strompelt president Trump voort van tweet naar persconferentie als een leider die in het duister tast, omdat er iets van hem gevraagd wordt dat hij niet herkent als eigen. Empathie, zorg, eerlijkheid, betrokkenheid, kennis. Landen gaan open en dan toch weer dicht. In Japan zijn in de eerste regio die de maatregelen versoepelde, de getallen weer omhoog geschoten. Spanje heeft een plan uitgestippeld met data en al. Iemand deelt een bericht dat het allemaal wel meevalt met die aantallen doden. Een wiskundige vertelt op tv dat het echt anders moet. Dat we echt eerst moeten weten (testen dus) om te kunnen uitschakelen. Iemand zegt dat het virus waarschijnlijk vanzelf wel uitdooft. Terwijl de hele wereld denkt dat het veilig is om thuis te blijven, zijn er altijd mensen die, meestal vanuit huis, beweren dat dit helemaal niet nodig is. Iemand schrijft dat hij jaloers is op hoe de Zweden het aanpakken. En ik vraag me af op wie in Zweden hij jaloers is. Vast niet op degene die ook daar in het ziekenhuis belandde. Het virus ondertussen, stelt iedereen voor raadsels. Bloedstollingen, beroertes, longziekte, eczeem, smaak- en geurverlies, het veroorzaakt zo veel verschillende symptomen, er is geen touw aan vast te knopen, lijkt het. En ik vraag me steeds af wat nou echt de moeite waard is om op te schrijven over deze tijd. Dat we bang zijn allemaal. Dat we van mening verschillen over welke weg we moeten volgen om hier uit te komen. Wat we kunnen doen (rustig blijven, anderen helpen, concrete dingen doen, contact houden) en juist niet moeten doen (bang worden, in paniek raken, onverantwoord ons hoofd in de wind gooien). Dat in Amerika het eten op het land vernietigd wordt, omdat er niemand is om het te oogsten, terwijl de armste mensen in het land staan te springen om eten. Wat is nou echt essentieel om over tien jaar nog te weten? Dat dit het omslagpunt was, misschien. Het moment waarop we ineens allemaal twee dingen begrepen. Dat een virus zich snel verspreidt in een wereld waarin alles met elkaar verknoopt is en dat we allemaal afhankelijk zijn van elkaar. En dat dat de vraag oproept of we nou dichter bij elkaar moeten komen of juist meer afstand van elkaar moeten nemen.

6 mei 2020

De BV Nederland gaat weer open, maar ik nog niet.

8 mei 2020
"Weet je wat ik het meeste mis," zeg ik tegen mijn man, "niet het café of restaurant, niet de winkel om iets te kopen, niet de sportschool, niet het kantoor, maar gewoon om weer op straat te kunnen lopen zonder angst voor de ander".

14 mei 2020

Ik werd wakker uit dromen over huizen en toegang. Wie er wel toegang had en wie niet, weet ik niet, maar de suggestie van onderscheid tussen binnen en buiten was zo voelbaar in de droom, dat ik opgelucht was dat ik in mijn eigen bed bleek te liggen. Via Twitter lees ik op RTL Nieuws over een experiment met mondkapjes die licht geven als iemand met corona hoest. 'Wetenschappers VS maken mondkapje dat oplicht door corona' Aan de Amerikaanse Universiteit van Harvard en MIT wordt gewerkt aan een nieuwe manier om het coronavirus op te sporen: een mondkapje dat oplicht als het longvirus wordt gedetecteerd. De methode kan helpen bij het in kaart brengen van besmettingen. Het is 14 mei. Op 12 maart was in Nederland de eerste persconferentie. We zijn in twee maanden tijd gegaan van de hoop op groepsimmuniteit om iedereen te beschermen, via "alleen samen kunnen we corona verslaan, naar veiligheid op basis van wie corona heeft en wie niet. Het aloude mechanisme van insluiting en uitsluiting steekt alweer zijn lelijke kop op. Die app was eng, maar daarbij werd de data tenminste nog verzameld in een mandje (lek of niet). Hier is direct zichtbaar wie besmet is en wie niet. Zichtbaar aanwijzen wie veilig is en wie gevaarlijk, dat lijkt me de slechtst denkbare oplossing voor een gezamenlijk probleem. Ik krijg er kippenvel van. Misschien moet ik snel een trui aandoen, want anders is dat straks ook nog zicht- en meetbaar.

22 mei 2020
Een eend kwaakt door de straat. Een hond blaft met een hoog nijdig blafje. Een vogel vindt er fluitend het zijne van. Het lijkt hier in de straat wel een verhit twittergesprek. Of het over corona gaat, weet ik niet, maar nu er ook al katten getest worden op corona en nertsen het aan mensen geven of van mensen krijgen, zou het me niet verbazen.

23 mei 2020

Er wordt in de stad druk nagedacht. Er is, zo blijkt uit de krant, een idee voor terrassen op grote pleinen, waaronder de Nieuwmarkt, om de horeca een kans op overleving te bieden. Ik probeer het voor me te zien. Hoe degene die aan het middelste tafeltje zit, er weer uit moet komen als hij/zij naar huis wil of naar het toilet moet. Ik lees dat Femke Halsema binnenkort met een plan komt voor het centrum na corona. En dat zij zich zorgen maakt over hoe we ons in de stad op 1,5 meter van elkaar gaan bewegen. Ik ervaar het lopen op straat en in winkels inmiddels als een soort dans. We lopen met een boog om elkaar heen en veroorzaken voortdurend Jansen-en-Jansen- achtige2 situaties, omdat het lichaam automatisch toetrekt naar andere lichamen. Hoe meer afstand ons opgelegd wordt, hoe meer nabijheid we lijken te zoeken. Dat zou ook verklaren waarom het op mooie dagen overal drukker is dan ooit. Ik kan nog steeds wandelen op plekken waar bijna niemand komt, dus ruimte is er genoeg. Maar omdat er geen gereguleerde ruimte is om elkaar te ontmoeten (zoals cafés, bioscopen, clubs, sportscholen), zoeken mensen elkaar massaal op door allemaal naar hetzelfde park te gaan of hetzelfde grasveldje. Thuis verrijk ik mezelf online met de meest prachtige gesprekken. Stadsgesprekken met steden over de hele wereld via Pakhuis de Zwijger en De Balie. Een gesprek van een maand geleden, dat ik zeer de moeite waard vond, is het gesprek bij De Balie tussen Floris Alkemade en Floor Milikowski over de stad, de relatie met de rest van het land en de kans om de coronacrisis aan te grijpen als moment om een verandering in gang te zetten die sowieso nodig is. Floris Alkemade heeft het in dat gesprek ook over een patroon van bewegen in onbekend gebied. Het heet de Lévy-vlucht. Het is een wiskundig patroon van bewegen dat gebruikt wordt door roofdieren om voedsel te zoeken en, volgens hem, door één van de laatste Afrikaanse jager-verzamelaar stammen, de Hadza. Je loopt in een bepaalde richting, maar steeds via een andere weg, als overlevingsmechanisme. In de woorden van Floris: ‘als je niet weet waar je naartoe gaat, is het volgen van een rechte lijn een dodelijke strategie’. Een mooiere metafoor voor hoe we uit de mist moeten komen waar we volgens het kabinet tot nu toe in bewogen, heb ik nog niet gehoord. In ieder geval niet in een rechte lijn, maar tastend, zoekend en uitproberend.

1 Prachtige tegenstelling trouwens ‘alleen samen’, ik neem mijn pet af voor de dichterlijke communicatieadviseur die dit bedacht heeft. 2 Zie de stripboeken van Kuifje