woensdag 13 juni 2018

De reis


De reis begint in oranje licht
Als slakken bewegen we
op de snelweg
dichter naar elkaar
verder van de wereld

In België zijn de dorpen
lege linten, treuren
de wilgen langs de weg
de dekens koud
in een groot stenen huis

Het duwt je naar de tuin
waar een meisje lacht
te hard, zeggen mensen
die zichzelf zacht vinden
Je ontsnapt

in je hoofd en in de nacht
ontwaart de witte wieven
in een waterige ochtend
alles is zacht
maar de onschuld ver weg

Je mama slaapt nog
gewiegd door de stilte
zie je de grassprieten
groei en, ontdek je
de pen

om dingen vast te leggen
verlies je steeds opnieuw
iets

Tzim Tzum - A little shop of wonders

Tzimtzum is een Hebreeuwse term die beschrijft hoe God door contractie ruimte maakte waarin de wereld kon ontstaan. Hiermee werd de eerste daad van creatie beschreven als een zich terugtrekken om ruimte te scheppen waarin het creatieve licht kon schijnen. Die contractie kan ook gezien worden als tot de essentie komen.

Michal Shabtay woont al 30 jaar in de Korte Koningsstraat, maar sinds haar ‘pensionering’ is in haar persoonlijke leven ruimte en tijd ontstaan. Pensionering tussen aanhalingstekens, want Michal doet en maakt nog van alles. “Je kunt als oudere nog zoveel bijdragen,” zegt ze. Ze heeft meerdere multimediale kunstprojecten in Europa, Amerika, Canada en Japan georganiseerd. Ze heeft verschillende filmscenario’s geschreven en films geregisseerd en geproduceerd, onder andere voor de Nederlandse televisie. Haar films hebben op diverse internationale filmfestivals gedraaid. Ze heeft les gegeven aan de Volksuniversiteit over Islamitische kunst, waar zij specialist in geworden is door de filmserie Islamic Art treasures in Europe te regisseren; een vierdelige televisieserie voor de Nederlandse Islamitische Omroep in 2008. Ze maakt kunst.

“Maar het is moeilijk om betaalde opdrachten te krijgen, want opdrachtgevers willen vooral met jonge mensen werken.” Dus is ze Tzim Tzum begonnen, als aanvulling op haar pensioen, maar vooral ook omdat er zoveel mooi werk beschikbaar is van zoveel interessante kunstenaars.

Je vindt in Tzim Tzum bijvoorbeeld werk van Heleen Levano en Erik Claus, tachtig jaar en nog steeds aan het werk. Maar ook kunst van Jival Kalicharan, vijfentwintig jaar oud en net van de academie. Michal verkoopt werk van bevriende kunstverzamelaars die aan het opruimen zijn nu ze ouder worden. “Want ook dat is tot de essentie komen.”

Mijn oog valt op een prachtig werk met goud en kaligrafie (ik val op letters) dat van Rachid Koraichi (1947) blijkt te zijn in samenwerking met Mahmoud Darwish (Palestijnse dichter) en Hassan Massoudy (Irakese kalligraaf). Koraichi is een van oorsprong Algerijnse, maar in Frankrijk wonende kunstenaar, waarvan het overige werk uit deze serie is ondergebracht in het museum voor Volkenkunde. Michal verkoopt ook antieke objecten, zoals een bijzondere kelim of een horse eye (een collectors item voor kenners van Japans aardewerk). Maar ook voor een klein cadeautje kun je bij Tzim Tzum terecht. Prijzen variëren van 10 euro tot 7.500 euro en (bijna) alles in de winkel is te koop. Haar enige criterium om iets te verkopen, is dat ze het zelf mooi moet vinden.

Buurtbewoners reageren enthousiast op de winkel. Ze vinden het een aanwinst voor de buurt en komen langs om thee te drinken. Michal vindt het belangrijk om ook contact met de buurt te hebben via de winkel. Ze wil ook in de winkel gaan werken. Ze wil bijvoorbeeld met Kintsugi aan de slag. Maar de plek is misschien ook geschikt om workshops of lezingen te geven of technieken te oefenen met kleine groepen van rond de 10 personen. Om kennis door te geven en van elkaar te leren. Michal staat ook open voor andere kunstenaars die samen dingen willen doen. Zodat Tzim Tzum een kleine ruimte in de buurt kan worden waar het creatieve licht kan schijnen.



De wereld van de Zeedijk

Fotografie: Eveline Renaud
Tekst: Corrie Verkerk en Pay-Uun Hiu

De Zeedijk, wie heeft er geen verhalen over? Ik woonde van mijn veertiende tot mijn eenentwintigste op de Geldersekade. Als ik naar de stad ging om kleding te kopen, liep ik altijd over het eerste stuk van de Zeedijk en dan via de Lange Niezel naar de Nieuwendijk. Begin jaren tachtig was het wild op de Zeedijk. Vriendinnetjes van mijn school in Amsterdam Zuid mochten niet bij mij spelen, omdat hun ouders het te gevaarlijk vonden. ‘Op de Zeedijk lopen ze met messen rond’, werd er gezegd. Maar ik heb me er nooit onveilig gevoeld. Toen ik een keer aan het eind van de middag terug naar huis liep met tassen vol kleding van de Cool Cat, stopte er een motoragent naast mij die vroeg waar ik naartoe ging. ‘Naar huis’ zei ik achteloos, en ‘waarom vraagt u dat?’. ‘Dan loop ik even met je mee, want het is hier gevaarlijk’, zei hij. ‘Dat hoeft niet hoor’, zei ik ‘ik loop hier zo vaak.’ Wat een snotneus, moet hij gedacht hebben en tot aan onze voordeur op de Geldersekade liep hij naast zijn motor met me mee.

De Zeedijk is erg veranderd en inmiddels een gewaardeerde winkel en uitgaansstraat in Amsterdam. De schrijfsters van De wereld van de Zeedijk, verwoorden het zelf zo op de achterflap van het boek.

“Oud en nieuw door elkaar, Chinatown en Hollandse pot, T-shirts en fashion, loungeclubs en Amsterdamse kroegen met levende muziek. Wie zich hier verveelt zou zich moeten laten nakijken. En ja, dat kan ook. Chinese kruidendokters, masseurs en acupuncturisten te over. De Zeedijk is zeker niet de langste straat van Amsterdam, maar op elke vierkante meter bruist het. Tijd om al die activiteit, initiatieven en nieuwe en oude gezichten vast te leggen in beeld en tekst: een momentopnamen van een zich steeds weer vernieuwende stadsziel.”

Die tekst is een goede omschrijving van het boek dat vol staat met alles wat er op de Zeedijk te vinden is. Winkels, restaurants, couture, kroegen en vooral mensen. Corrie, Pay-Uun en Eveline moeten er heel wat uren in hebben zitten. De omschrijvingen zijn persoonlijk en lezen als een lekker tijdschrift. “In het kleine Saigon is een zwaar getatoeëerde jongen met een pet vaste klant.”, zo begint de omschrijving van Little Saigon, de perfecte lunchspot volgens de dames. Ook het stuk over de dames van Beeren en het oude Zeedijk leest als een trein.

De fantastische foto’s van Eveline Renaud geven je het gevoel dat je al zittend op de bank over de Zeedijk loopt. De winnaar van de hartjesdagen, het huis van de blonde poes, een voorwoord van Eberhard van der Laan, er staat in het boek voor elk wat wils. En er staat een prachtige foto in van een meisje dat leert fietsen op de Zeedijk op een knalroze fiets. Er groeien dus ook alweer nieuwe generaties op, die nieuwe verhalen leven en maken op de Zeedijk.

Julia Winter


Als een blank canvas strekte de toendra van Workuta (Noordpool) zich voor haar uit als ze als kind uit het raam naar buiten keek. Haar kunstenaarschap lijkt daar in haar kindertijd al begonnen te zijn.
‘Het was zo’n bijzondere plek. Wij kinderen speelden onder de grond, onder de sneeuw, als beren, in een grot verlicht met kaarsen. Altijd sneeuw, altijd buiten en als ik binnen was, dan keek ik uit op al die oneindige sneeuw. Het heeft me ontzettend geïnspireerd. Mijn vader jaagde soms op vogels en van de veren maakte ik dan dingen. Eigenlijk heb ik nooit iets anders gedaan dan kunst maken.’

Ze laat me een foto zien van haar ouders. Twee mensen, dik ingepakt, zittend op een slee, getrokken door rendieren, in een sneeuwlandschap met heel in de verte één huis. Op die plek waar Julia, Krupenia toen nog, als kind woonde heeft ze zelfs haar naam gebaseerd: Julia Winter.

De keuze voor die naam en het feit dat ze hem zelf gekozen heeft, zegt veel over hoe ze naar identiteit kijkt. Iets dat je ook terugziet in haar werk.
‘Ik denk dat we als mensen verschillende identiteiten hebben. We zijn niet maar één iets. Ik wil ook geen vaste identiteit hebben. Ik ben geïnteresseerd in anderen en ik vraag me altijd af wie ik ook had kunnen zijn. Ik wil een wereldidentiteit kunnen hebben.’
Dat spelen met identiteit komt steeds terug in haar werk. Ze zoekt de samenvoeging van verschillen. Tegenstellingen als mannelijk-vrouwelijk, verleden-heden, schuld-onschuld, brengt ze samen tot een nieuwe poëtische en soms politieke realiteit.

Bijvoorbeeld in haar werken waarin ze portretfoto’s op glas over geschilderde portretten heen plaatst. Door de plaatsing van de portretten, de verschillende materialen en de ruimte ertussen die ook het licht een rol laat spelen, ontstaat een nieuw beeld dat fascineert en je uitdaagt om te bepalen waar je naar kijkt.
‘Ik hoop dat ze samen een nieuwe vorm worden. Ik begin bij de tegenstelling, maar door het samen te brengen ontstaat er hopelijk iets anders, iets nieuws, iets dat er nog niet was’, licht ze toe als ik vraag naar de achtergrond van de werken.

Julia is geboren in Moskou. Haar ouders, jonge mensen toen nog, vertrokken in 1966 van Moskou naar Workuta. Een voormalige goelag van Stalin met kolenmijnen en begin jaren zestig een stad in ontwikkeling. Het was in die tijd voor jonge mensen in Rusland populair om naar dat soort plekken te gaan om hun leven te beginnen en het werd ook gestimuleerd door de overheid. Julia was toen één jaar oud. Ze zouden in Workuta blijven tot ze twaalf jaar oud was en ze terugkeerden naar Moskou.

‘Ik vond het vreselijk in Moskou, ik miste Workuta heel erg’, zegt ze.
Maar ze heeft in Moskou wel haar kunstenaarschap verder ontwikkeld. Ze leerde en experimenteerde met allerlei materialen en technieken. Tekenen, compositie, olieverf, gouache, sculpturen, gips, aardewerk.
‘Ik heb echt zoveel geleerd. Ik volgde ook nog vijf jaar lang een opleiding op een kunstacademie voor houtbewerking, metaalbewerking en keramiek.’
Al die tijd had ze nog steeds heimwee naar Workuta.
‘In Rusland moest je na de academie meteen drie jaar werken. Ik hoopte dat ik teruggestuurd zou worden naar de Noordpool. Maar dat gebeurde niet.’
Ze werd naar Tarusa gestuurd, een plaats precies 101 kilometer buiten Moskou.
‘Als je vroeger in Rusland in de gevangenis had gezeten, mocht je niet meer terugkeren naar Moskou,’ vertelt ze. ‘Je moest 101 km afstand houden. Tarusa is ook de plaats waar Marina Tsvetaeva moest blijven toen ze uit de gevangenis terugkwam.’
Marina Tsvetaeva, dichteres, is één van de mensen wiens werk Julia’s kunst beïnvloeden. Zo ook Heidegger, op wiens kunstkritiek één van haar performances gebaseerd is.

‘Ik ben daarna weer teruggegaan naar Moskou. Ik wilde graag weer studeren. En omdat ik al sinds mijn twaalfde mijn eigen kleding maakte, in Rusland was helemaal niets te vinden qua mode, ging ik naar de textielacademie.‘
Ook dat zie je terug in haar werk, waar ze naast fotografie, schilderkunst en allerlei verschillende materialen, ook stof gebruikt om betekenis toe te voegen aan beeld. Bijvoorbeeld in het werk: I Recognize Love by the Pain dat is opgenomen in de tentoonstelling in Moskou waar haar werk te zien is. Een zwart-wit foto van de achterkant van een jonge vrouw met kort haar, waar uit een kwetsuur, een scheur in de foto, door de rug heen donkerblauwe voile komt die helemaal tot op de grond valt als een soort jurk. Ook tekst speelt een rol. Op de achterkant van de kaart bij de tentoonstelling staat:

As though bearing a mountain in my skirts—
My whole body hurts!
I recognize love by the pain
My whole body’s length.

‘Licht speelt een belangrijke rol in mijn werk, want schaduw geeft diepte. Maar ook textiel en tekst, doorzichtige materialen, verf. Ik bedenk en gebruik eigenlijk alles. Ik ben dat ook gewend. In Moskou leefde ik een kunstenaarsleven in een soort community met mensen die zich bezighielden met poëzie, muziek, kunst. Dat was een hele leuke tijd,’ zegt ze.
‘In 1991-1992 werd ik uitgenodigd om naar Amsterdam te komen. Een kans om mijn horizon te verbreden. Met een visum kon je toen vanuit Rusland reizen. Ik voelde me in Amsterdam meteen goed. Door een uitwisselingsprogramma kreeg ik uiteindelijk de kans om hier een jaar te blijven. Die greep ik aan, want de jaren negentig waren een moeilijke tijd in Rusland. Er was veel armoede, weinig aandacht voor kunst en er kwam veel criminaliteit naar boven in de maatschappij. In Amsterdam was ik vrij om te werken.’

Julia woont en werkt nog steeds in Amsterdam, maar stelt haar werk tentoon over de hele wereld. Op dit moment in Zuidlaren, Moskou en New York.
‘Ik ben recentelijk drie maanden in New York op residentie geweest, bij MANA contemporary (www.manacontemporary.com) in New Jersey, daar kreeg ik heel veel inspiratie van. Er zijn daar veel kunstenaars die serieus bezig zijn, kunst van wereldniveau en erg veel galerieën. Ik ben er trots op daar ook mijn werk te kunnen tentoonstellen. Maar ook hier is het fijn. Hier is het zachter en kan ik in alle rust werken.’
De tegenstelling blijft interessant.

Vanaf 13 januari 2018 is werk van Julia Winter te zien op een tentoonstelling in Galerie Ron Lang Art, Laurierstraat 82, 1016 PP, Amsterdam.

Meer van Julia’s werk is te zien op www.juliawinter.nl


vrijdag 27 oktober 2017

Kintsugi

Ik loop de weg
van boerderij naar dorp
en terug, en terug

en vind

dauw die optrekt
boven zachtgroene druiven

het tikken van scharen
in de stille ochtend

grijs brood
en ruwe wijn

trillend licht
boven gele velden

bloed van gistende druiven

Er broeide altijd iets
in die hete zon

en 's avonds
als het licht zich overgaf
het donker verscheen

mijn zus, die al gevallen was
toen, gebroken
stuk gegaan

ik was nog heel
jong en blauw
zij gaf me haar barsten

die lijmde ik
met zonnegoud
en licht en stilte

Kintsugi, heet dat
in Japan, de kunst
van het repareren van pijn

donderdag 6 april 2017

Waterlooplein - een droom van een markt


Ik wil een droom schrijven. Over vrijheid en ruimte om te ademen. Over een stad waar je groot kan worden zonder angst, waar je over de straten kan schuiven, giechelend met je vrienden en vriendinnen, overdag en ’s nachts, en waar je langzaam één wordt met de stad. Een droom over een stad, die leeft, ongepoetst. Een stad die chaos toe kan laten, omdat zij haar eigen orde creëert. Ik danste door deze stad. Liep er op mijn handen. Leerde er fietsen en auto rijden en wandelen. Nuchter en aangeschoten. Euforisch en diepbedroefd. Van Noord naar West, van Zuid naar Oost en van het eind van de wereld naar het hart van de stad.

Toen ik twaalf was woonde ik op het Waterlooplein. In een dubbeldekkerbus aan de kant van het Waterlooplein waar nu de sporters uitkijken op de markt. Waar ik vroeger over het plein rende met mijn vriendjes en vriendinnetjes, rennen zij nu op een band heel hard terwijl ze steeds op dezelfde plek blijven. In 1979 lag het Waterlooplein helemaal open. Alles was gesloopt, op één huisje na, dat fungeerde als clubhuis voor jongeren uit de buurt. De rest van het plein was een grote zandbak in afwachting van het nieuw te bouwen stadhuis. Elke ochtend liep ik over het open plein naar de staalstraat en daarna naar de munt, om met de tram naar school te gaan. De skatebaan was ’s ochtends nog leeg, vogels scheerden over het plein van de Amstel naar de Zwanenburgwal en in de Staalstraat stonden de melkflessen nog op de stoep.

Op Koninginnedag dreef ik mijn eerste handel op het Waterlooplein. Bij een vriendin van mijn moeder in de Ververstraat, maakte ik handtasjes die ik verkocht. Ik verdiende 100 gulden die dag. Een fortuin voor een meisje van twaalf. Mijn jongere zusje begreep dat je geld kon verdienen op deze feestelijke dag. Zij pakte de knopen van mijn moeder uit de naaimand en verkocht die per stuk. Omdat ze zo ongelofelijk schattig was, dreef ook zij een verdienstelijke handel. Het Waterlooplein was een feest die dag, vol met mensen en kleuren.

Later, toen ik op de Geldersekade woonde, ging ik met mijn moeder vaak naar de Waterloopleinmarkt 1977, tussen de Rapenburgerstraat en de Valkenburgerstraat. Ik ging naar school in kleren van het Waterlooplein die ik samen met mijn moeder vermaakte en pumps uit de jaren vijftig. Mijn klasgenootjes in Amsterdam Zuid vroegen zich af hoe ik aan mijn hippe kleren kwam. Het oude Waterlooplein, daar stond ondertussen een hek omheen. Ook het laatste huisje was gesloopt en er werd een start gemaakt met de bouw van het stadhuis.

Niemand was er echt blij mee. Het gebouw is te groot en wat er overgebleven is voor de Waterloopleinmarkt is niet meer dan een strook rond het gebouw. De Stopera heeft eigenlijk het plein van de stad afgenomen. De ziel die het Waterlooplein nog heeft, komt van de markt. Van de mensen die komen om te rommelen tussen spullen die een tweede, derde of misschien wel vierde leven tegemoet gaan, die er komen om een patatje te eten, hun boodschappen te doen of gewoon een beetje over de markt te slenteren. Je vindt er altijd iets leuks. Ik kocht er onlangs nog een boekje uit de jaren vijftig over een feministe avant la lettre en ik zag een Zweeds meisje onderhandelen over een prachtig wit bontjasje.

De Stopera ervaar ik nog steeds als ‘out of place’ op die mooie plek in de stad. Stiekem zou ik het liefste willen dat het gesloopt werd en dat we op het Waterlooplein de oude vlooienmarkt in ere herstelden. De grootste vlooienmarkt van Europa, zou dat geen mooie invulling zijn? Een groot plein, midden in de stad, waar Amsterdammers en bezoekers graag komen en waar ondernemers op een duurzame manier hun boterham kunnen verdienen. Een klein beetje ongeorganiseerde ruimte terug in de stad. Een beetje van het Amsterdam van Ed van der Elsken (in plaats van een stad waar je Ed van der Elsken alleen nog kan beleven in een tentoonstellingsruimte). In die stad was het Waterlooplein een kloppend hart. In één van zijn filmpjes scheert Ed van der Elsken eroverheen als een vogel die de stad beziet vanuit de lucht.

De gemeente heeft nu besloten het gebouw te verbouwen en de gevel te openen naar de markt om te zorgen voor meer verbinding tussen de twee. Op zich een goed idee, maar pas het gebouw dan aan, aan de ziel van de markt in plaats van de markt aan te passen aan de zielloosheid van een gebouw dat niemand ooit echt gewild heeft. Anders vrees ik een nachtmerrie in plaats van een droom. Hoe die nachtmerrie eruitziet?

“Wolkenkrabbers reiken naar elkaar over de Amstel. Als ze elkaar bijna raken, het laatste wolkje zich spiegelt in het water, net voordat de lucht voorgoed verdwenen is, verdrinkt mijn stad en mijn hart met haar. Kijk ze naar de bodem zinken, mijn hart en de stad waar ze in woont. Als de wolkenkrabbers de lucht sluiten wordt alles grijs. Behalve mijn bloedend hart.”



maandag 12 december 2016

Heeft de wereld een deur?

‘Look at me I’m as’, Hanneke Dikboom, beeldend kunstenaar in combinatie met stem, kleur, taal en ruimte, staat er op haar handgeschreven visitekaartjes.'

Om me voor te bereiden op ons gesprek, keek ik op haar website www.hannekedikboom.nl. Ze doet ontzettend veel verschillende dingen: schilderen, tekenen, schrijven, lithografie en performance. Ik werd meteen geraakt door de kaarten die ze maakt, waarop ze situaties uitbeeldt met houten modelpoppen en allerlei attributen (schuimrubber, spaarvarkens, rubberen ringetjes, ijzerdraad, wat niet?). Zelf noemt ze deze figuren ‘de figuranten’. De situaties die ze met de figuranten vormgeeft, voorziet ze van teksten. Met veel humor en soms een serieuze of trieste noot, maar nooit zwaar. Een zittende figurant met een pillendoosje op het hoofd, krijgt als tekst mee ‘de dagelijkse hoeveelheid pillen’. Een andere figurant, gekleed in een soort wikkelpak met watten op het hoofd, en ijzerdraad aan de handen, een warrig beeld, krijgt als tekst mee ‘waar ik nu woon, weet ik de weg niet meer’. Door de anonimiteit van de houten poppetjes krijgen de herkenbare menselijke situaties iets bevreemdends. De teksten getuigen van mededogen met het menselijke gemodder.

Als ik bij Hanneke thuis kom voor ons gesprek is het eerste wat me opvalt, na haar open, jeugdige blik, dat de ruimte waar ze in woont zo sereen en leeg oogt. De veelheid van haar kunst op de website is hier fysiek niet aanwezig.

‘Ik houd het graag leeg en ruimtelijk’, zegt ze, ‘want ik werk en woon hier. Ik doe vaak dingen weg.’

Het licht dat door de ramen aan de gracht naar binnen valt is zacht, al zegt zij dat dat komt door de daglicht tl-buizen. De groene bomen voor de ramen versterken het gevoel van rust en ruimte. Op tafel liggen de figuranten weerloos op hun rug, klaar voor nieuwe avonturen. Ze zet koffie voor me en heeft brownies gebakken. Ze heeft een selectie van haar werk opgehangen aan de muur, ‘daar wil ik het straks ook graag over hebben’, zegt ze ‘maar eerst over een groot project dat ik eind 2012 gedaan heb.’

Eind 2012 mocht Hanneke een kleine week (dinsdag tot zondag) gebruik maken van het glazen huis in het Amstelpark. Daar organiseerde ze een improvisatie in beeld en geluid met medewerking van 112 kleine figuranten en bevriende kunstenaars, met als titel Heeft de wereld een deur?. De glazen ruimte in een hoek van het Amstelpark was alleen voorzien van een berg dunne houten plankjes en verder leeg. De dochter van Hanneke en een vriendin richtten de ruimte in. Ieder gewapend met een lijmpistool, maakten ze van de plankjes ruimtelijke constructies, een beetje als open huizen, en zetten daar de figuranten in.

‘Er was niet veel tijd om op te bouwen’, zegt Hanneke ‘en ik was met hele andere dingen bezig. Ik had een soort van basisidee bedacht. Elke dag had een kleur, ik was ook gekleed in de kleur van de dag en de lunch, verzorgd door Ada Harmsen paste ook bij de kleur van de dag. Aardbeien en bessen op de rode dag, zwarte olijven en drop op de zwarte dag. Ik maakte iedere dag een tijdelijk kunstwerk van allerlei rommel van de straat. Daar werkte ik ’s ochtends aan en ’s middags deed ik een performance met muziek. De figuranten bleven staan, maar het kunstwerk was elke dag anders. En elke dag werkte ik met andere mensen samen. Aan het einde van de dag ruimde ik alles op en de volgende dag begon ik opnieuw. De ruimte was geweldig, ook door dat glas en het park eromheen. Het kijken van binnen naar buiten en andersom. Het leverde mooie spiegelingen op. De kleur bleek heel bepalend te zijn voor de sfeer en de muziek die er gespeeld werd. Verder liet ik het gewoon gebeuren.’

Je bent niet bang om het gewoon te laten ontstaan volgens mij, klopt dat?
‘Ja, dat klopt. Ik ben geboren met het lef. Zet me in de schouwburg en dan doe ik iets. Er is voor mij niks anders belangrijk in mijn leven dan kunstenaar zijn, te spelen. Ik wist vanaf mijn vierde ik dat ik kunstenaar wilde zijn. Mijn leven begon op de kunstnijverheidsschool (voorloper van de Rietveld Academie).’

Wie is er bang voor geel, rood, blauw, grijs, zwart en wit?
‘Het effect van de gekozen kleuren was heel sterk, misschien nog wel meer dan ik verwacht had. We begonnen op dinsdag met de kleur geel, dat was een hele zonnige dag. De woensdag was rood. Toen heb ik samen met een pianist een kunstwerk gemaakt en ’s middags heeft hij samen met zijn vrouw, een violiste, muziek gemaakt bij mijn performance. Dat was een heel heftig optreden, over de dood en het bloed, slagersachtig bijna, heel dramatisch.

Donderdag was blauw, een intiemere kleur, nachtblauw, spookachtig, het blauwe uur, het moment waarop er van alles kan gebeuren. Het verlangen ook, het zoeken naar dat moment waarop er iets kan gebeuren. Die dag ontstond er een wonderlijk kunstwerk, met een blauwe muur als een soort scheiding tussen twee werelden. Eigenlijk twee café’s waarin de figuranten kotsend over de barkrukken hingen en, al duwend tegen een blauwe muur, naar elkaars wereld wilden, terwijl die werelden beiden even erg waren. Voor die dag had ik een Afrikaanse vriend uit de Ivoorkust gevraagd om een verhaal te vertellen in zijn eigen taal. Hij kwam in een pak van zijn stam en vertelde een verhaal over met zijn opa in het oerwoud jagen op grote dieren, zoals tijgers. Hij zeurde altijd dat hij met zijn opa mee wilde en toen mocht hij een keer mee, eerst op de brommer en daarna lopend en vond hij het heel eng. “Opa, opa, mag ik naar huis?” Maar hij moest verder mee en opa vertelde hem van alles over sporen en wat je daar allemaal in kunt zien en hoe je daarmee het bos kunt lezen. Ik vertelde het verhaal in mijn eigen woorden.’

Op één van de kaarten die Hanneke gemaakt heeft werpt een figurant een lange schaduw voor zich uit. Eronder staat de tekst: In deze nacht zal ik niet bang zijn en een groot dier vangen. Een stukje uit het verhaal van de donderdag, maar ook op zichzelf een sterk beeld.

‘Vrijdag was een grijze dag. Ik heb een enorme verzameling platgereden stukken ijzer verzameld en de vloer van het glazen huis is van grijs grint. Ik heb een grote cirkel gemaakt van al die metalen objecten met af en toe een woord ertussen. Die dag was ik alleen. Vóór het glazen huis waren drie Chinezen Tai Chi aan het doen en dat paste perfect bij de sfeer. Het was zo mooi, zo stil, zo magisch. ’s Middags was er een muzikant die door middel van elektronisch geluid life met mijn klanken en teksten improviseerde, wat vervreemdende muziek opleverde. Door die vervormingen ontdekte ik wat ik met mijn stem nog meer kon. Poëzie, zingen, improviseren. Als ik op een podium sta, laat ik me leiden door impulsen, door sfeer. Vaak komen er dan woorden, poëzie, maar soms ook klanken of een soort fantasietaal.

Zaterdag was zwart. Dat was een zware dag. Ook in de samenwerking. Enorme grote zwarte lappen op een ladder. Ondoordringbare en doorzichtige stof. Er is ook gefilmd door die lappen heen. Het publiek was die dag ook moeilijker. Alles was zwaarder, ook de muziek. Een celliste en een gitarist. De improvisatie was ook zwarter. Het was een dramatische dag.
Zondag was wit en dat beeld maakte ik samen met een goede vriendin die keramiste is. De figuranten waren ook weer aanwezig in de kunstwerken. Met stokken en een soort enorme draaimolen. Mondlapjes die schilders gebruiken figureerden als schommels voor de figuranten. Ik had alles slordig weer wit gemaakt. Er was een violiste die door de ruimte liep en hele hoge tonen speelde. Ik had een hele leuke witte jurk aan met veel kant. Het was druk en heel leuk. Het was ook een opluchting ten opzichte van al dat zwart van de vorige dag.

Dit project was voor mij spectaculair om te doen. Er was eigenlijk niks. Alleen de figuranten, de kleuren en een berg rommel. En natuurlijk steeds een ander publiek, afwisselend druk en stil, andere mensen die meewerkten en een andere sfeer. Er hebben heel veel vrienden meegewerkt en geholpen en veel muzikanten uit mijn netwerk. Het was een prachtige compilatie van alles wat ik in me heb. Eigenlijk wilde ik er een film van laten maken, ik heb ook alle film nog, maar het editen is uiteindelijk niet gelukt en zelf kan ik het niet. Als iemand dat ooit nog zou kunnen doen met het beschikbare materiaal, zou ik heel blij zijn.’
Als ze klaar is met vertellen, wordt haar gezicht van heel expressief plotseling heel rustig. Het lijkt wel een andere vrouw.

Je bent een mens van tegenstellingen volgens mij?
‘Ja, dat klopt, ik hou van explosief, maar ik heb ook grote behoefte aan stilte. Ik onderzoek ook graag de verhouding tussen groot en klein.’
Om te illustreren wat ze bedoelt, zet ze een figurant op de vloer neer ongeveer een meter van een grote grijze bol die op de vloer ligt, alsof hij er naartoe loopt.
‘Kijk’, zegt ze ‘nu wordt het figuurtje als beeld met die grijze bol ineens groot in de ruimte, terwijl het nog steeds klein is, dat fascineert mij.’
Ze maakt er ook meteen een foto van.
‘Ik speel eigenlijk altijd, ben altijd een kind geweest. En ik doe alles wat ik bedenk. Dat is misschien wel mijn kracht.’

Ze wijst op de schilderijen aan de muur, het werk dat ze speciaal opgehangen had voor mij. Er hangt een landschap op groot doek (120 cm bij 90 cm) en een heel klein landschapje (4,5 cm bij 3,5 cm) en beide hebben een enorme kracht ondanks hun verschil in grootte. Het grote doek is rustig met wat sombere kleuren, een prettige leegte. Het kleine is fel van kleur, blauw en licht en heeft, gek genoeg, net zoveel kracht als het grote doek.

‘Dat grote doek heb ik een hele tijd geleden gemaakt, maar het was niet goed. Nu heb ik het pas geleden afgemaakt. Ik heb het veranderd, rustiger gemaakt, meer ruimte gegeven, na een fietstocht in Groningen, waar ik heerlijk kon ademen en nu is het goed. En dat kleine werk is ook fijn, dat ontdek ik nu dat ik ook op klein vlak iets kan zeggen, en dan kan ik gewoon naar buiten met mijn materiaal, dat is ook heel fijn.

Ik heb nooit kunnen leven van de kunst, dus ik heb altijd ander werk ernaast gedaan. Ik werkte drie dagen per week in Duin en Bosch een psychiatrisch centrum als creatief therapeut. Daar heb ik ook gezien wat er los komt bij mensen als je begint met geleide fantasie. Bijvoorbeeld de opdracht: maak een wereld. En wie mag daar dan wonen. En wat is er dan in die wereld, hoe ziet die eruit? Naar wie kun jij kijken vanuit je huis, wat zie je? Als je bijvoorbeeld psychotisch bent, kun je die kleine wereld nog wel aan. Vanuit die kleine wereld kun je dan een verbinding maken naar de werkelijke wereld.’

Hanneke’s vraag of de wereld een deur heeft, kan ik niet beantwoorden (hoewel hij me wel bezig houdt), maar als Hanneke een deur opent, komt er daarna nog een deur en nog één en nog één, dat weet ik wel zeker.

Nieuwsgierig geworden?
Hanneke’s werk is te zien via www.hannekedikboom.nl

De mapjes met kaarten zijn te koop á € 15,- per 10 stuks.

Hanneke heeft ook een map gemaakt met 12 overpeinzingen (losse vellen met tekeningen en gedichten, geprint op een hoge kwaliteit papier, beter dan zeefdruk) á €40,- per stuk. Daarvan zijn er nog twee te koop.

Als je serieus geïnteresseerd bent, kun je bellen om het werk te zien, via 020 3206368.

dinsdag 9 augustus 2016

Interview met Jane Waltman over haar boek Trauma Time



‘Ik fluister mijn eigen naam in de holte van mijn handen; net als vroeger. Dan pas voel ik me veilig.‘
Deze zin komt uit Trauma Time, het geschilderde en geschreven dagboek dat Jane Waltman, docent, kunstenares en buurtbewoonster, in eigen beheer maakte en uitbracht. Het gaat over de periode in 2014/2015 waarin ze door problemen met haar kunstheup in het ziekenhuis terecht kwam, geopereerd werd, moest revalideren en opnieuw moest leren lopen.

Het boek bestaat uit getekende en geschilderde herinneringen aan vroeger, portretten van Jane als kind en volwassene, portretten van haar familie en haar medebewoners in revalidatiecentrum De Poort. De korte begeleidende teksten bij de schilderijen vertellen het verhaal. Het is een treurig verhaal, maar geen treurig boek. Daarvoor zijn de kleuren te helder. Het confronteert en ontroert. Herinneringen komen tot leven in expressieve, kleurrijke portretten en beeldende tekst. In de geschrokken blik van haar vader die huilt, in de tekst over de dokter waar ze als kind een klap van krijgt omdat hij vindt dat ze zich aanstelt, in de liefde die ze voelt voor haar man en haar zoon en in het eenzame kleine meisje dat ze soms was.

‘Mijn heupproblemen begonnen toen ik een meisje van 9 jaar was.’
Jane heeft een lange geschiedenis van operaties, pijn en revalidatie, maar die houdt ze graag klein.
‘Het moet geen uitgebreid medisch verhaal worden hoor’, zegt ze lachend en ik beloof dat het dat niet wordt. Een korte opsomming dus, om een beeld te krijgen:
  • De heupproblemen begonnen op haar 9e jaar aan één kant.
  • Op haar 10e kreeg ze ook problemen met de andere heup.
  • Ze lag op die jonge leeftijd twee keer drie maanden in het ziekenhuis met haar geopereerde been in een tractie.
  • Daarna moest ze een jaar lopen met een ijzeren beugel, een jaar in een rolstoel zitten en een jaar lopen met krukken.
  • Van haar 16e tot haar 36e mocht ze niet springen, dansen of te wilde dingen doen.
  • Ze had vaak veel pijn.
  • Ze mocht geen kinderen krijgen.
  • Op haar 36e kreeg ze kunstheupen en moest ze weer opnieuw leren lopen.
  • Toen ze daarna alsnog zwanger werd, tegen het advies van haar orthopeed in, beleefde ze, door haar heupen, een zware zwangerschap en bevalling.
  • Op haar 59e ging haar twintig jaar oude kunstheup kapot en moest ze opnieuw geopereerd worden en weer revalideren en leren lopen.
‘Als voorbereiding op de operatie schilder ik mijn jeugdherinneringen.’
Jane: ‘De operatie was gepland, maar werd steeds uitgesteld. Ik zat thuis en ik kon niks. Dat was heel frustrerend. Toen zei Joost, mijn man, ‘waarom begin je niet alvast met tekenen, als voorbereiding op de operatie?’ Dat heb ik gedaan. Het zijn eigenlijk getekende dagboeken: de fantasieën van een kind over een geopereerde heup. Botten, schroeven en littekens, maar ook de zilveren schoentjes, die ik van mijn vader kreeg toen ik in de rolstoel zat.

Op mijn 26e, in 1984, ben ik met schilderen begonnen. In dat jaar pleegde mijn broer zelfmoord op het strand in Maleisië. Ik had een sterke band met hem en na zijn dood ben ik dagboeken gaan schilderen. Volgens Joost zijn de schilderijen uit die tijd een soort cri de coeur, een hartenkreet. En dat is ook wel zo, het is een soort van therapie. Wat ik niet kan schrijven, schilder ik.’

Topsportersmentaliteit
Jane: ‘Door alles wat ik meemaakte als kind ontwikkelde ik een soort topsportersmentaliteit, met een hoge pijngrens. Ik moest van mijn ouders ook gewoon meedraaien met alles, ik kreeg geen speciale behandeling of zo. Niet zeuren, dat was toch wel de teneur.’
Die mentaliteit helpt haar enorm om alles ‘gewoon’ te doen, ondanks haar heupproblemen. Ze komt als 19 jarige naar Amsterdam en ontmoet op de Nederlandse Film Academie haar man Joost Ranzijn. Op haar 24e fietst Jane met haar moeder en jongste broer door Azië. Twee jaar later komt ze terug van deze wereldreis en helpt Joost met zijn films, ze rolt in het vak van filmproducent. Op haar 26e is ze de baas, in een tijd dat dat in de filmwereld voor een vrouw nog niet zo gewoon is.
‘Macht zegt me niets, mensen ontslaan en zo dat vond ik verschrikkelijk, maar ik deed het allemaal wel. Op mijn 36e, na mijn heupoperatie, ben ik uit de bv gestapt en heb ik mijn aandelen verkocht. Toen ben ik gaan schrijven en ook weer gaan schilderen en zwanger geworden. Met mijn kunstheupen mocht dat nu wel, hoewel mijn orthopeed het mij ontraadde. Charley, mijn zoon, is met een keizersnede geboren. Natuurlijk was mijn leven met die kunstheupen niet altijd makkelijk, maar voor mij was dat een gegeven en geen hindernis.’

‘Het trauma sluimerde jaren in de spelonken van mijn jeugd. Licht dooft, duisternis valt. Ik word overmeesterd door alles overheersende angst, een lawine van oude gevoelens.’
Met die topsportersmentaliteit vertrekt Jane op 30 oktober 2014 naar het ziekenhuis. Daar ziet ze een tractie op het bed gemonteerd. IJzeren stangen, katrollen en gewichten. En uit het niets overvalt haar een enorm trauma.
‘Het denderde over me heen’, zegt ze. ‘Ik lag letterlijk te schudden in mijn bed. Alles van vroeger, van toen ik als kind in die tractie gelegen had, kwam naar boven. Het was totaal onverwacht en ik kon er niets tegen beginnen. Ik vroeg om een psycholoog, maar mijn orthopeed vond dat niet nodig. Psychologie vond hij onzin. De verplegers zagen wel dat het nodig was en ik kreeg een maatschappelijk werkster. Lief bedoeld, maar onzinnig.’

De Poort
Door een onvoorziene bottransplantatie mag ze haar heupen niet belasten. Niet lopen, alleen maar liggen en zitten. Een grote tegenvaller. Ze gaat naar De Poort, een verzorgingstehuis voor mensen met allerlei soorten psychische en lichamelijke aandoeningen. En de arts daar ziet meteen dat ze een trauma heeft. Ze geeft haar antidepressiva om de zwarte randjes eraf te krijgen, maar veel meer kan ze niet doen op dat moment.

Om haar tijd in De Poort door te komen, begint Jane portretten te schilderen van het personeel en de andere mensen die daar verblijven. Dit deel van het boek bevat portretten van bijvoorbeeld De Rochelaar, met zijn onsmakelijke eetgeluiden, Mevrouw Beck, die niet weet waar ze is, Peter die iedereen uitscheldt, Meneer Delier, die elke dag zijn bril kwijt is, De Poortwachter, die bij de deur iedereen begroet en het personeel. De portretten zijn los geschilderd, sprekend en zeggen veel over het leed dat zich verzameld heeft in De Poort.
‘Toch heb ik er ook veel gelachen’, zegt ze. ‘Het was zo’n vreemde omgeving met al die verschillende mensen. Stond een vrouw van negentig jaar met haar onderbroek op haar enkels in de wc en vroeg aan mij of ik haar kon helpen, omdat er verder niemand in de buurt was, dat soort dingen. Dat doe je dan maar, dat wordt dan ineens normaal. Toen ik eenmaal begon met schilderen kon ik er met iets meer afstand naar kijken.’

‘Als ik De Poort verlaat ben ik total loss. Ik neem het trauma mee naar huis. Ik lig niet in scherven –die kan je lijmen- maar in stukken.’
Jane neemt het trauma mee naar huis en valt steeds verder de diepte in. Al haar kinderangsten duikelen ongeremd naar buiten, zoals ze het zelf zegt. Ze gaat door met schilderen. De verpleegster waar ze als kind standjes van kreeg, omdat ze geen lauwe melk wilde drinken. De dokter die niet te vertrouwen was. De gaatjes in het plafond die ze telde als ze angstig was. Haar eigen portret als kind met de beugel die ze nodig had om te kunnen lopen. ‘Die beugel vond ik verschrikkelijk.’
De rolstoel, waar ze vanaf haar 12e in zat, die een verademing was.
‘Ga je mee tikkertje spelen?, vroegen de kinderen. ‘Nee, vandaag niet.’, antwoordde ik. Dat vond ik geweldig, dat ze gewoon vergeten waren dat ik dat helemaal niet kon. Toen ontdekte ik dat ik mensen kon laten vergeten wat ik had.’ Dit deel van het boek eindigt met wat in het boek een ‘Traumaportret’ heet. Een portret van Jane, dat uit losse vlekken blauw bestaat en waar ze bijna niet meer in te herkennen is.

‘Ik ontdek dat ik mijn leven heb gebouwd op de gewonde fundamenten van een negenjarig meisje.’
‘Via mijn huisarts en na gesprekken met vrienden en mijn schoonzusje, ben ik EMDR therapie gaan volgen tegen posttraumatische stress. EMDR werkt eigenlijk meteen. Ik ben direct gestopt met de antidepressiva en heb ongeveer 8 of 9 sessies van 1,5 uur gedaan. Na mijn ervaring met dit trauma en de verwerking ervan is mijn leven wel veranderd. Ik heb een belangrijk deel van mijn karakter gebouwd op een trauma waarvan ik niet wist dat ik het had. Die hele topsportersmentaliteit, het niet zeuren, de maakbare wereld; ik was hard voor mezelf en waarschijnlijk ook voor anderen. Daar ben ik wel iets van teruggekomen. Ik mag nu bang zijn van mezelf, ik mag te pas en te onpas verdrietig zijn, ik mag nu ook wijs zijn en zacht voor mezelf.
‘Ik was 9 en ik was gewoon bang’, zegt ze en ze laat haar tranen de vrije loop. Haar ogen zijn lichtblauw en helder, de ogen van een kind, niet van een vrouw van 60.

Boek kopen?
Trauma Time is te bestellen bij Jane Waltman voor €75,00. 
Als je interesse hebt, kun je mailen naar: j.waltman@solcon.nl